Wat is het nut van rennen als je niet op de goede weg bent?
Kaleo presenteert Iniminies. Wat is dat zul je denken. We posten met enige regelmaat korte (prikkelende) gedachtes over diverse (Bijbelse) onderwerpen, de pennevruchten van Ineke van Lieshout. Lees mee en geniet.
Bijbelstudies door Peter Slagter over het thema "Een inleiding op de kleine profeten", in het seizoen 2012-2013.

Loading Player...

Onder aan dit scherm kun je de preek downloaden of beluisteren.
Onderstaand verslag is ook te downloaden in pdf formaat

De kleine profeten - Obadja - P.A. Slagter - 20/12/2012 - Studie 4
 
De naam Obadja is opgebouwd uit Obed = knecht en jah = JHWH de Here, dus knecht van de Here.
Het thema van het boek Obadja is: De Here zal vergelden (aan Edom).
Het vergelden aan Edom heeft niet alleen in het verleden plaatsgevonden (iedere profetie heeft ook een historische context), maar het heeft ook een profetische lading voor de toekomst, zie Obadja 15 waar gesproken wordt over de dag des Heren (waar Zefanja uitvoerig over schrijft).
Er wordt gesproken van dreiging, vergelding en belofte. Zie Obadja 17 waar sprake is van ontkoming en Obadja 21 waar het gaat over het Koningschap van de Here. En zie Openb. 11:15, 17 waar het gaat over het aanvaarden van het Koningschap. Daniel zegt dat het koningschap de God des hemels toebehoort. Openbaring handelt over de dag des Heren, waar de profetie werkelijkheid wordt.
 
De profetie van Obadja bestaat uit 2 delen. Obadja 1:1-16, Het gericht over Edom en Obadja 1:17-21, de bevrijding en het herstel van Israël. Gericht en herstel komen in alle profetieën terug.
 
Edom betekent rood (Adama (Hebreeuws) = rode aarde). Ten tijde van de Here Jezus was dit Idumea (Grieks).
Het gebied van Edom lag ten zuiden van Juda/Jeruzalem, onder de Dode Zee in de richting van de woestijn. Het is het zuidelijke deel van Israël en Jordanië. Bekende plaatsen zijn Bosra; Teman; Seir, Petra. Het is een rotsachtig gebied. Zie Obadja 3.
 
De Edomieten traden met name op in de tijd na de inname/verwoesting van Jeruzalem door Nebukadnezar. Edom had een vijandige houding, zie Klaagliederen en Ezechiel.
 
De Edomieten stammen af van Ezau, zie ook Obadja 8, 9.
Gen. 25:21-23, 30 Toen zei Ezau tegen Jakob: Laat mij toch slurpen van dat rode, dat rode daar, want ik ben moe. Daarom gaf men hem de naam Edom.
Ezau dat is Edom. Het is dus een broedervolk van Israël, zie Obadja 12.
Genesis 27:37 Izak antwoordde en zei tegen Ezau: Zie, ik heb hem heerser over jou gemaakt en al zijn broers heb ik hem als dienaar gegeven. Ik heb hem van koren en nieuwe wijn voorzien. Wat kan ik dan nog voor je doen, mijn zoon?
38 Daarop zei Ezau tegen zijn vader: Hebt u alleen maar deze ene zegen, mijn vader? Zegen mij, ook mij, mijn vader! En Ezau begon luid te huilen.
39 Toen antwoordde zijn vader Izak en zei tegen hem: Zie, van de vruchtbare streken van de aarde zal je woongebied zijn, en van de dauw van de hemel van boven.
40 Van je zwaard zul je leven en je broer zul je dienen. Maar als je tot macht komt, zul je zijn juk van je nek afrukken.
Dit is dus van toepassing op Edom. In vers 39 staat van de vruchtbare streken en van de dauw van de hemel, i.p.v. "van de" moet er staan "ver van de" (zie de NBG). Ezau/Edom heeft dus geen gezegende positie. In vers 40 komt naar voren dat zij onder de heerschappij van Jakob vandaan kunnen komen.
 
Genesis 27:41 Ezau haatte Jakob om de zegen waarmee zijn vader hem gezegend had, en Ezau zei in zijn hart: De dagen van rouw over mijn vader naderen; dan zal ik mijn broer Jakob doden.
Ezau haat Jakob en Edom haat Jakob. Dit alles heeft te maken met het plan van God. Het gaat om erfgenaamschap. Het gaat niet om de oudste. Niet Ismaël, maar Izak, niet Ezau, maar Jakob. De haat vloeit voort uit het feit dat de tegenstander van God hierachter zit, hij is het niet eens met de gang van zaken, het heeft alles een diepere dimensie.
 
De geschiedenis van Edom wordt gekenmerkt door het zwaard. De kleinzoon van Ezau/Edom is Amalek, zijn naam betekent waarschijnlijk 'uit op winstbejag'. Hij is een type van satan in zijn haat tegen het volk van God. Bileam zegt:
Numeri 24:17 Ik zal hem zien, maar niet nu; ik zal hem aanschouwen, maar niet van nabij. Er zal een ster uit Jakob voortkomen, er zal een scepter uit Israël opkomen; hij zal de flanken van Moab verbrijzelen en alle zonen van Seth vernietigen.
18 Edom zal bezit zijn en Seïr zal bezit van zijn vijanden zijn, maar Israël zal kracht uitoefenen.
19 Uit Jakob zal hij heersen; wie ontkomt uit de stad, zal hij ombrengen.
20 Toen Bileam Amalek zag, hief hij zijn spreuk aan, en zei: Amalek is de voornaamste van de heidenvolken, maar zijn einde is dat hij ten onder gaat.
De ster uit Jakob (vers 17) gaat over de komst van de Messias. Amalek is de voornaamste van de heidenvolken (vers 20) en is altijd een vijand van Israël geweest. Hij was de eerste vijand van Israël in de woestijn, zie Exodus 17. Mozes komt alleen tot overwinning als hij zijn handen uitstrekt naar de hemel (om hulp van de Here te verkrijgen) en als hij moe wordt, heeft hij hulp van zijn broeders nodig.
 
Exodus 17:16 Hij zei: Voorzeker, de hand op de troon van de HEERE! De strijd van de HEERE zal tegen Amalek zijn, van generatie op generatie!
De strijd houdt nooit op, maar is van generatie op generatie.
Dit zien we ook bij Haman, de Agagiet, de jodenhater, afstammeling van koning Agag, een koning van Amalek. Hij is van plan het hele volk Israël uit te roeien, het is hem niet gelukt. Ook hier is de diepere dimensie van de haat aanwezig, zoals dit ook in Efeze 6 naar voren komt in de wapenrusting, het gaat om machten en wereldbeheersers.
Efeze 6:12 Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van de duisternis van dit tijdperk, tegen de geestelijke machten van het kwaad in de hemelse gewesten.
 
Ook nu zien we de haat van bijvoorbeeld Palestijnen en omliggende volkeren tegen Israël. Het heeft alles een geestelijke achtergrond.
In 2 Koningen 8 staat beschreven dat Edom het juk van Israël van zich af gooide (denk aan Gen. 27:10).
Psalm 137. In vers 7 staat dat de Edomieten die de val van Jeruzalem toejuichten, ten tijde van Nebukadnezar. Het volk Israël werd weggevoerd en Edom nam hun plaats in. Zij eigenden het gebied van de Here toe. Het is een erfeniskwestie.
Ten tijde van het optreden van de Here Jezus op aarde heette het gebied Idumea (Grieks) en was het onderworpen aan het Romeinse rijk. Koning Herodus (de grote), was een Edomiet. Zijn naam betekent godenzoon en de titel die hij had was "Koning der Joden". Vandaar dat hij geweldig schrok toen de wijzen uit het Oosten kwamen en vroegen waar de Koning der Joden geboren was. Zijn positie was in gevaar. Hij werd de moordenaar van Bethlehem. Hij deinsde nergens voor terug. Herodus de grote heerste in de tijd van de jeugd van de Here Jezus.
Herodus Antipas (= evenbeeld van de vader) volgde hem op en heerste ten tijde van de openbare bediening van de Here Jezus.
Pontius Pilates (=gewapend met een speer), was toen Romeins stadhouder. Hij was een onbarmhartig en onbuigzaam man. Hij werd gehaat door de Joden en door Herodus Antipas. Pilatus was aangesteld door de Romeinen en stond hoger dan Herodus.
Zij werden vrienden toen zij een gezamenlijke vijand kregen.
 
Handelingen 4:23 En nadat zij losgelaten waren, gingen zij naar hun eigen mensen en berichtten alles wat de overpriesters en de oudsten tegen hen gezegd hadden.
24 En toen zij dat gehoord hadden, verhieven zij eensgezind hun stem tot God en zeiden: Heere! U bent de God Die de hemel en de aarde en de zee gemaakt hebt, en alle dingen die erin zijn,
25 en Die bij monde van David, Uw knecht, gezegd hebt: Waarom woeden de heidenvolken en bedenken de volken wat inhoudsloos is?
26 De koningen van de aarde stellen zich op en de vorsten spannen samen tegen de Heere en tegen Zijn Gezalfde.
27 Want, in waarheid, tegen Uw heilig Kind Jezus, Die U gezalfd hebt, zijn Herodes en Pontius Pilatus samen met de heidenen en de volken van Israël bijeengekomen,
28 om alles te doen wat Uw hand en Uw raadbesluit van tevoren bepaald had dat er gebeuren zou.
De apostelen zijn gevangen genomen en nadat zij vrijgelaten zijn, spreken zij het gebed uit. Het is een toepassing op Psalm 2 (die over de eindtijd gaat, de wederkomst van Christus). De heidenvolken die opstaan tegen de Here en zijn Gezalfde. Zowel Herodes en Pontius Pilatus (vers 27), een 'Jood' en een heiden, komen tegen de Here bijeen.
In de toekomst zal een leider uit de heidenen en een leider uit Israël opstaan. Het beest uit de (volkeren)zee en het beest uit de aarde. Het beest uit de aarde zal zich manifesteren als de plaatsvervanger van Christus, de valse profeet, de anti christus, die optreedt met het beest uit de zee.
 
In de hedendaagse tijd is Edom verdwenen. In 300 voor Christus is hun plaats ingenomen door de Nabateërs, afstammelingen van Nebajot (zoon van Ismaël).
 
In de eindtijd zal Edom hersteld worden.
Psalm 83:1-9  In vers 7 wordt Edom als eerste genoemd in de opsomming van heidenvolken. Wellicht dat zij een hoofdrol spelen in de toekomst. Het is een verbond van 10 volkeren, een 10-statenbond, zie ook Daniel en het boek Openbaring.
Psalm. 108:9-10,14 Op Edom zal ik mijn schoen werpen, een teken van vernedering.
Jesaja 34:4-5 De hemel zal oprollen als een boekrol (zie Openb. 6:14). Edom zal geoordeeld worden.
Adam is het hoofd van het menselijk geslacht, Edom is een type van de volkeren in het algemeen, zij staan op tegen Israël. In de 1e plaats gaat het om de volkeren in het Midden Oosten, maar in de eindtijd zullen alle volken tegen de Here strijden (zie Psalm 2). Alles is gericht op de uitroeiing van Israël, zelfs als de Here Jezus Zich als Koning manifesteert zullen zij nog optrekken tegen de Here. Dit komt door de haat en misleiding van satan. Openbaring 16:13-14 zegt dat er onreine geesten uit de mond van de draak, het beest en de valse profeet komen die de volken zullen verleiden. Ze zijn als het ware bedwelmd.
Jesaja 63:1-6 Edom staat voor de volkeren. Er zal wraak en verlossing zijn.
In de eindtijd komt Babel naar voren. Daniel 11:40-42 Babel zal het Sieraadland (Israël) binnenvallen. Edom zal ontkomen, wellicht omdat hij het op een akkoordje gooit met Babel. Er zal een koning opstaan in de eindtijd (het beest uit de zee). Michael zal echter opstaan om te strijden voor Gods volk (Daniel 12).
 
Terug naar Obadja
In vers 2 Ik maak u klein onder de volkeren, denk aan de vernedering van satan, zoals beschreven in Jesaja 14 en Ezechiel 28.
Petra is de hoofdstad van de Nabateërs, die hier van 300 voor Christus tot 106 na Christus woonden. De stad werd ingenomen. Wellicht dat Petra in de eindtijd weer betekenis krijgt als het volk in de woestijn verzameld wordt en God een verbond met hen sluit en de Meerdere van Jozua hen weer het beloofde land in leidt.
Vers 6 en 7  Edom sluit een bondgenootschap, maar wordt verraden door zijn 'vrienden'. De satan staat niet in de waarheid, hij is namelijk de vader van de leugen. Satan heeft geen vrienden!
vers 11 Edom heeft leedvermaak over Israël
vers 15 de dag des Heren komt over alle heidenvolken
vers 16 Het oordeel
vers 17 De berg Sion is het beeld van de heerschappij van God, de berg die noordelijker ligt, is Moria. Er zal ontkoming zijn, zie Joel 2:32
Vers 18 Het oordeel over de vijanden
Vers 21 Verlossers zijn eigenlijk de leiders, de rechters net zoals in het boek Richteren, zij die over Israël waren aangesteld.
 
Recapitulerend:
In de eindtijd zal Edom weer bestaan, zij zullen zich veilig voelen, maar ze zijn misleid en worden verraden. Israël zal Edom oordelen, het in bezit nemen en uiteindelijk de heerschappij over alle volken hebben. Denk hierbij aan Exodus 19:6, dan zullen zij een koninkrijk van priesters zijn, een heilig volk. Er wacht nog een geweldige toekomst.
 
Onder aan dit scherm kun je de preek downloaden of beluisteren.
Onderstaand verslag is ook te downloaden in pdf formaat

De kleine profeten - Amos - P.A. Slagter - 22/11/2012 - Studie 3
 
Amos betekent beladene = lastdrager en in het algemeen geldt dit voor alle profeten. Sommige vertalingen hebben dan ook: de last des Heren.
De boodschap komt meestal niet gelegen, de waarheid kan zich zelden in de meerderheid verheugen.
Amos komt uit de buurt van Bethlehem, nl. Tekoa. Rehabeam had deze stad gebouwd, zie 2 Kron. 11:5,6.
 
Na het koningschap van Salomo werd het rijk verdeeld, nl. in de 10 stammen, Israël, met de hoofdstad Samaria en 2 stammen, Juda, met de hoofdstad Jeruzalem. Soms was er samenwerking tussen de rijken, soms strijd. Dit was o.a. afhankelijk van de samenwerking met buitenlandse machten. In Koningen en Kronieken lees je hier uitvoerig over.
 
In Amos 1:1 wordt gesproken over Jerobeam, dit is Jerobeam II. Jerobeam I is de eerste koning van Israël, hij was een knecht van Salomo. Amos profeteerde in Israël, hoewel hij uit Juda kwam. Dat was een extra handicap. In Amos 7:13-15 zegt Amos tegen Amazia dat hij geen profetenzoon is, hij had geen opleiding gehad, was niet naar de profetenschool geweest. Hij was veehouder en moerbeikweker. God riep hem om te profeteren tegen Israël, iets wat hij nooit zelf gezocht heeft, maar hij deed het wel en op de goede manier. Zo is dat ook voor ons, ons getuigenis mag gehoord worden, ook al word je dat niet (altijd) in dank afgenomen.
 
Amos spreekt:
1) Tegen rijkdom. In Israël waren veel rijken, er was een bloeiende economie. De geschiedenis leert dat er in koninkrijken waar rijkdom/welvaart is, een kloof ontstaat  tussen rijk en arm. Telkens weer blijkt het dat mensen niet om kunnen gaan met rijkdom en macht. De val van zo'n rijk wordt ingeleid door sociale misstanden, onderdrukking en onrecht.
2) Religieuze misstanden. Israëls godsdienst was een vormendienst. De feesten des Heren, zoals beschreven in Leviticus 23, werden bacchanalen. Het loofhuttenfeest is een feest van verblijden. De Here zegt, gij zult vrolijk zijn voor het aangezicht van de Here en dat 'verblijden en vrolijk zijn' geldt ook nog steeds voor ons! In de vormendienst is dit niet het geval.
Israël ging uiteindelijk in de Assyrische ballingschap, ondanks hun welvaart. Ten tijde van de Here Jezus was er eenzelfde situatie als in de tijd van Amos. Juda was een provincie van het Romeinse rijk. Zij vierden toen ook de feesten, maar het waren feesten der Joden. De Kern, de Here Jezus, was niet aanwezig. De leidslieden waren de obstakels met hun eigendunkelijke godsdienst. Zij gaven zelf betekenis aan de feesten, het werd een inhoudsloze godsdienst.
 
Het thema van het boek Amos is: God is rechtvaardig en waarachtig, het volk was onrechtvaardig en onwaarachtig.
 
De naam van Uzzia (de koning van Juda) betekent de Here versterkt/bekrachtigt. Hij werd koning op 16 jarige leeftijd en regeerde 52 jaar.
Amos profeteerde in dezelfde tijd als Hosea, Jona en Jesaja.
2 Kronieken 26: 1 Toen nam heel het volk van Juda Uzzia, die toen zestien jaar oud was, en maakte hem koning in de plaats van zijn vader Amazia. 2 Hij was het die Eloth uitbouwde en het aan Juda terugbracht, nadat de koning bij zijn vaderen te ruste gegaan was. 3 Uzzia was zestien jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde tweeënvijftig jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Jecholia, uit Jeruzalem. 4 Hij deed wat juist was in de ogen van de HEERE, overeenkomstig alles wat zijn vader Amazia gedaan had. 5 Het was in de dagen van Zacharia, die Uzzia leerde op God te zien, om God te zoeken. In de dagen dat hij de HEERE zocht, maakte God hem voorspoedig. 6 Hij trok eropuit en streed tegen de Filistijnen. Hij sloeg een bres in de muur van Gath, de muur van Jabne en de muur van Asdod, en bouwde steden bij Asdod en in het gebied van de Filistijnen. 7 God hielp hem tegen de Filistijnen, en tegen de Arabieren die in Gur-Baäl woonden, en tegen de Meünieten.
 
Uzzia was een goede koning. We lezen echter van hem:
2 Kronieken 26:16 Maar toen hij sterk geworden was, werd zijn hart hoogmoedig, tot zijn eigen verderf. Hij werd ontrouw aan de HEERE, zijn God. Hij ging namelijk de tempel van de HEERE binnen om reukwerk in rook te laten opgaan op het reukofferaltaar. 17 Maar de priester Azaria ging hem achterna, en met hem de priesters van de HEERE, tachtig dappere mannen.
18 Zij gingen voor koning Uzzia staan en zeiden tegen hem: U komt het niet toe, Uzzia, om voor de HEERE reukwerk in rook te laten opgaan, maar het is aan de priesters, de nakomelingen van Aäron, die geheiligd zijn om reukwerk in rook te laten opgaan. Ga het heiligdom uit, want u bent ontrouw geweest, en het zal voor u niet tot eer zijn van de HEERE God. 19 Toen werd Uzzia woedend; het wierookvat was in zijn hand om reukwerk in rook te laten opgaan. En terwijl hij woedend was op de priesters, verscheen de melaatsheid op zijn voorhoofd, voor de ogen van de priesters, in het huis van de HEERE, bij het reukofferaltaar. 20 Toen keerde de hoofdpriester Azaria zich naar hem toe, en al de priesters, en zie, hij was melaats aan zijn voorhoofd. En zij verdreven hem haastig daarvandaan, ja, ook hijzelf haastte zich om naar buiten te gaan, omdat de HEERE hem getroffen had. 21 Koning Uzzia was melaats tot aan de dag van zijn dood. Hij woonde, omdat hij melaats was, in een apart staand huis, want hij was van het huis van de HEERE afgesneden. Jotham, zijn zoon, was aangesteld over het huis van de koning, en gaf leiding aan de bevolking van het land. 22 Het overige nu van de geschiedenis van Uzzia, van het begin tot het einde, heeft de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, beschreven. 23 Uzzia ging te ruste bij zijn vaderen en zij begroeven hem bij zijn vaderen, op het veld bij het graf dat van de koningen was, want zij zeiden: Hij is melaats. En zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats.
 
Hij werd hoogmoedig, hij wilde priester zijn. Dat was verboden. De koning kwam uit de stam Juda en de priester uit Aaron van de stam Levi.
Hij werd woedend en uiteindelijk melaats.
Er staat in Amos 1:1 dat Amos in de dagen van Uzzia optrad, 2 jaar voor de aardbeving. In Zacharia wordt ook over de aardbeving gesproken.
Zacharia 14:3 Dan zal de HEERE uittrekken en tegen die heidenvolken strijden, zoals de dag dat Hij streed, op de dag van de strijd. 4 Op die dag zullen Zijn voeten staan op de Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, ten oosten ervan. Dan zal de Olijfberg in tweeën gespleten worden naar het oosten en naar het westen. Er zal een zeer groot dal ontstaan, als de ene helft van de berg naar het noorden zal wijken en de andere helft ervan naar het zuiden. 5 Dan zult u vluchten door het dal van Mijn bergen, want het dal tussen de bergen zal reiken tot Azal. Ja, u zult vluchten, zoals u gevlucht bent voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, de koning van Juda. Dan zal de HEERE, mijn God, komen: al de heiligen met U!
 
Flavius Josefus spreekt in de Joodse Historiën (boek 9, hoofdstuk 10 aan het eind) over de gebeurtenis in de dagen van Uzzia:
[222] Terwijl hij op deze manier bezig was orde op zaken te stellen en maatregelen te nemen, werd zijn geest (van Uzzia) beneveld. Zijn succes (... in de oorlogsvoering) - niet meer dan het succes van een sterveling - steeg hem naar het hoofd en hij had geen oog meer voor de macht van datgene wat onsterfelijk is en door alle tijden heen blijft bestaan: hij werd nalatig op het punt van zijn eerbied voor God en voor de wetten. [223] Hij gleed uit over zijn eigen succes en verviel in dezelfde fouten als die waaraan zijn vader zich had bezondigd, die ook niet in staat was geweest, in zijn glanzende voorspoed en op het hoogtepunt van zijn macht, alles goed onder controle te houden. Op een belangrijke openbare feestdag betrad hij het tempelcomplex, gehuld in een priestergewaad, om een offer op te dragen aan God op het gouden altaar. [224] Toen de hogepriester Azarias in gezelschap van 80 priesters hem probeerde tegen te houden (ze zeiden dat hij geen offers mocht opdragen en dat dat alleen was toegestaan aan nakomelingen van Aaron) en ze tegen hem riepen dat hij weg moest gaan en niet ten overstaan van God de wet moest overtreden, reageerde hij furieus en dreigde hij hen te zullen doden als ze hun mond niet hielden. [225] Tegelijk echter deed zich een hevige aardschok voelen. De Tempel brak in tweeën, en een felle streep zonlicht brak zich baan en viel recht op het gezicht van de koning. Hij werd onmiddellijk overdekt met lepra. Voor de stad, bij een plaats genaamd Eroge, brak de helft van de westelijke berg af. Het afgebroken stuk rolde over een afstand van meer dan 700 meter in de richting van de oostelijke berg en kwam daar tot stilstand. Als gevolg daarvan raakten de wegen en de koninklijke tuinen geblokkeerd. [226] Toen de priesters zagen dat  het gezicht van de koning helemaal door lepra was overdekt, legden ze hem uit wat er gebeurd was en bevalen ze hem de stad uit te gaan omdat hij besmet was. Hij schaamde zich erover dat hem zoiets vreselijks was overkomen en dat hij nu geen enkel recht van spreken meer had en volgde hun bevel op. Zo betaalde hij een wel heel zware en deerniswaardig hoge prijs voor de manier waarop hij zich boven de mensen verheven had gevoeld en voor zijn gebrek aan eerbied tegenover God als gevolg daarvan. [227] Hij leefde nog enige tijd buiten de stad, als ambteloos burger, want zijn zoon Jotham had de heerschappij van hem overgenomen, en vervolgens stierf hij van pijn en  moedeloosheid over wat hem was overkomen. Hij is 68 jaar geworden en hij heeft 52 jaar als koning geregeerd. Hij werd apart begraven, in zijn eigen tuinen.
 
Deze geschiedenis (met de aardbeving) vormde de ondergang van Uzzia De aardbeving in de eindtijd betekent de komst van de Here Jezus Christus.
 
Amos spreekt namens de Here de oordelen uit over de omliggende volkeren van Israël en over Israël en Juda.
Amos 1:3-5         tegen Syrië
Amos 1:6-8         tegen Filistea
Amos 1:9-10      tegen Tyrus
Amos 1:11-12    tegen Edom
Amos 1:13-15    tegen Ammon
Amos 2:1-3         tegen Moab
Amos 2:4-5         tegen Juda
Amos 2:6-16      tegen Israël
 
Ook in Amos komt, net als bij de andere profeten, naar voren dat een rest behouden zal worden, met andere woorden, het is geen hopeloze zaak, zie Amos 3:12, Amos 5:2-3 en Amos 9:11-12.
 
Amos 4:1 Luister naar dit woord, koeien van Basan die op de berg van Samaria zijn, u, die de geringen onderdrukt, die de armen mishandelt, die tegen uw echtgenoot zegt: Breng ons iets, zodat wij kunnen drinken. 2 De Heere HEERE heeft gezworen bij Zijn heiligheid dat er, zie, dagen voor u komen dat men u zal optrekken met haken en wie na u overblijft, met vishaken. 3 Door bressen zult u naar buiten gaan, de ene vrouw na de andere, en weggeworpen worden naar Harmon, spreekt de HEERE.
 
In Jeremia 16:16 staat "Zie, Ik ga boden tot vele vissers zenden, spreekt de HEERE, dat zij hen moeten opvissen. En daarna zend Ik boden tot vele jagers, dat die hen moeten opjagen van elke berg en van elke heuvel, en uit de kloven van de rotsen.".
Dit gedeelte wordt vaak aangehaald om het terughalen van Joden uit de hele wereld naar Israël te onderbouwen en aan te moedigen.
In hoofdstuk 16 wordt gesproken over de ballingschap en terugkeer in de toekomst.
 
Jeremia 16:
10 Maar het zal gebeuren wanneer u dit volk al deze woorden aanzegt, dat zij tegen u zullen zeggen: Waarom heeft de HEERE heel dit grote onheil over ons uitgesproken, wat is onze ongerechtigheid en wat is onze zonde waarmee wij tegen de HEERE, onze God, gezondigd hebben?
11 Dan zult u tegen hen zeggen: Omdat uw vaderen Mij hebben verlaten, spreekt de HEERE, en andere goden achterna zijn gegaan en die hebben gediend en zich voor hen hebben gebogen. Mij echter hebben zij verlaten en zij hebben Mijn wet niet in acht genomen.
12 Wat u betreft, u hebt meer kwaad gedaan dan uw vaderen, want zie, ieder van u gaat zijn eigen verharde, boosaardige hart achterna door niet naar Mij te luisteren.
13 Daarom zal Ik u uit dit land wegwerpen naar een land dat u niet gekend hebt, u evenmin als uw vaderen. Daar zult u dan dag en nacht andere goden dienen, omdat Ik u geen genade zal bewijzen.
14 Daarom, zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat er niet meer gezegd zal worden: Zo waar de HEERE leeft, Die de Israëlieten uit het land Egypte geleid heeft,
15 maar: Zo waar de HEERE leeft, Die de Israëlieten uit het land in het noorden en uit al de landen waarheen Hij hen verdreven had, geleid heeft. Ik zal hen terugbrengen in hun land, dat Ik hun vaderen gegeven heb.
16 Zie, Ik ga boden tot vele vissers zenden, spreekt de HEERE, dat zij hen moeten opvissen. En daarna zend Ik boden tot vele jagers, dat die hen moeten opjagen van elke berg en van elke heuvel, en uit de kloven van de rotsen.
17 Want Mijn ogen zijn gevestigd op al hun wegen. Ze zijn voor Mijn aangezicht niet verborgen en hun ongerechtigheid kan zich niet voor Mijn ogen verhullen.
18 Ik zal eerst hun ongerechtigheid en hun zonde dubbel vergelden, omdat zij Mijn land ontheiligd hebben: zij hebben Mijn eigendom met de dode lichamen van hun afschuwelijke afgoden en hun gruweldaden vervuld.
 
Dit gedeelte spreekt enerzijds van ballingschap (buiten het land brengen van Israël ) en terugkeer in het land.
Vers 13 Jeremia moest het volk aanzeggen/dreigen dat zij uit dit land weggeworpen zullen worden, dit sluit aan op wat al door Mozes in Deuteronomium als sanctie van ongehoorzaamheid is voorzegd. Zij zullen niet vrijwillig gaan.
Vers 14 (geschiedenis) en 15 is een belofte van terugkeer, maar wel nadat de Here eerst Israël onder de volkeren heeft gebracht. Juda is dan nog steeds in het land, voor de Babylonische ballingschap.
Vers 17 spreekt van de zonden en ongerechtigheden van Israël, waarvoor alle profeten waarschuwden. Het vers begint met want en slaat terug op vers 16 waarin wordt aangegeven dat ze uit het land zullen worden opgevist, opgejaagd.
Dit gold voor de ballingschappen. De Assyrische ballingschap, de Babylonische ballingschap en na terugkeer na 70 jaar toch weer in 70 na Christus door Titus de Romeinse veldheer.
In Amos gaat het om het noordelijke rijk, bij Jeremia om Juda.
 
In Amos komt in de grondtekst 2x het woord wee voor.
In Amos 5:18 Wee hun die verlangend uitzien naar de dag van de HEERE! Wat zal voor u die dag van de HEERE zijn? Duisternis zal hij zijn en geen licht!
Het gaat om de dag des Heren of te dien dage. Het is het optreden/de openbaring van de Here zoals beschreven in het boek Openbaring. Johannes was in de geest op de dag des Heren (Op. 1:10). Het loopt uit op de openbaring van de heerlijkheid des Heren (de hemel zal opengaan) nadat eerst de afgrond is opengegaan en er zal sprake zijn van oordelen. Er komt een einde aan deze wereld met zijn machthebbers.
 
In Amos 6:1 Wee de zorgelozen in Sion, en de onbezorgden op de berg van Samaria, de beroemdsten van de voornaamste van de volken, en tot wie het huis van Israël komt.
De mens wil zelf de baas zijn, denk bijvoorbeeld aan de evolutietheorie. In de loop der eeuwen is de waarheid in de leugen veranderd. Profeten werden valse profeten, pseudo profeten. Mensen worden zorgeloos en komen in een roes. Men zegt: geloof jij nog in de Bijbel? De Here Jezus stelt de vraag dat als de Zoon des Mensen op aarde komt, Hij nog geloof op aarde zal vinden. Het zal zijn als in de dagen van Noach. Eten, drinken, huwen. Vrede, vrede, geen gevaar, maar plotseling overkomt hen het verderf (1 Thes. 5:3) van de dag des Heren. Al deze uitspraken zijn gelinkt aan het Oude Testament, want daarin wordt alles al voorzegd.
Het is het begin van de weeën, de laatste weeën staan in het boek Openbaring.
 
Er komen in Amos een viertal visioenen voor.
Amos 7:1             sprinkhanen
Amos 7:4             alles verterend vuur
Amos 7:7             paslood
Amos 8:1             korf met zomervruchten
 
De beschrijving begint steeds met dezelfde uitdrukking: "Dit heeft de Here mij laten zien".
In de eerste 2 visioenen heeft de profeet een soort middelaarsrol.
De profeet is de middelaar, hij komt tussenbeide, hij claimt het behoud van Jakob, dat is de ware profeet, hij is een voorspraak.
De laatste 2 visioenen niet meer, de oordelen gaan door.
 
De laatste profeet die in de eindtijd zal optreden, is de valse profeet, zie Openbaring 13. Hij doet zich voor als het lam, de Christus. Hij zet het volk aan tot zonde, door hen het beeld te laten aanbidden. Die Daniel en Mattheus 24, de gruwel der verwoesting noemen.
 
Amos 9:8 Zie, de ogen van de Heere HEERE zijn gericht op dit zondige koninkrijk. Ik zal het wegvagen van de aardbodem. Evenwel zal Ik het huis van Jakob niet geheel wegvagen, spreekt de HEERE. 9 Want, zie, Ik geef opdracht, en Ik zal het huis van Israël onder alle volken schudden, zoals met een zeef geschud wordt; geen steentje zal op de grond vallen. 10 Door het zwaard zullen sterven alle zondaars van Mijn volk, die zeggen: Het kwaad zal niet naderen en ons niet tegemoettreden. 11 Op die dag zal Ik oprichten de vervallen hut van David. Zijn scheuren zal Ik dichtmaken, en wat aan haar is afgebroken, zal Ik oprichten, Ik zal hem opbouwen als in de dagen van oude tijden af; 12 zodat zij de rest van Edom in bezit zullen nemen, en alle heidenvolken waarover Mijn Naam is uitgeroepen, spreekt de HEERE, Die dit doet.
 
Toch is er hoop, want een overblijfsel zal behouden worden, zie vers 8.
In Handelingen 15:12-18 wordt Amos 9 aangehaald.
Handelingen 15:12 En heel de menigte zweeg, en zij hoorden Barnabas en Paulus vertellen wat voor grote tekenen en wonderen God door hen onder de heidenen gedaan had. 13 En toen zij zwegen, antwoordde Jakobus: Mannenbroeders, luister naar mij. 14 Simeon heeft verteld hoe God voorheen naar de heidenen omgezien heeft om voor Zijn Naam uit hen een volk aan te nemen. 15 En hiermee stemmen de woorden van de profeten overeen, zoals geschreven staat: 16 Hierna zal Ik terugkeren en de vervallen hut van David weer opbouwen, en wat daarvan is afgebroken, weer opbouwen en Ik zal hem weer oprichten, 17 opdat de mensen die overgebleven zijn, de Heere zouden zoeken, en alle heidenen over wie Mijn Naam uitgeroepen is, spreekt de Heere, Die dit alles doet. 18 Aan God zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend.
 
In de Handelingentijd waren er 2 groepen van gelovigen. Joden en heidenen. Het probleem was: moeten de heidenen de wet onderhouden. Paulus reist naar Jeruzalem en in Handelingen 15 komt men tot een oplossing.
 
Jakobus haalt Hosea aan uit de Septuagint. In Amos 9:11 staat oprichten en in Hand. 15:16 hierna zal Ik terugkeren, is dus bij de wederkomst van Christus.
In Amos 9:12 staat de rest van Edom (de zoon van Esau, de broer van Jakob - er was vijandschap), in Hand. 15:17 staat de mensen die overgebleven zijn = heidenen.
In het Hebreeuws is Edom ook Adam, omdat het onderscheid er alleen is als je er klinkers bijzet, maar het grondwoord, alleen medeklinkers, is gelijk. Edom is een type van de volkeren.
In de eindtijd zijn er 2 overblijfsels, nl. van Israël en van de volken. Maar er is hoop, er zal verzoening zijn, net als in Gen. 33 waar Esau zich verzoende met Jakob, zo zal het ook in de toekomst zijn. Israël en de heidenen zullen de Here loven in de hoofdstad Jeruzalem. Ook de heidenen zullen hierheen optrekken.
 
Dat geldt niet voor ons, wij behoren tot het Lichaam van Christus en hebben in één Geest de toegang tot de Vader.
 
Amos 9:13-15 spreekt ervan dat Israël nooit meer weggerukt zal worden uit het land.
Onder aan dit scherm kun je de preek beluisteren of downloaden.
Onderstaand verslag is ook te downloaden in pdf formaat

De kleine profeten - Joel - P.A. Slagter - 25/10/2012 - Studie 2

De naam Joel betekent JHWH is God. Jo = JHWH en El is van Elohim. Niemand weet hoe de naam van God is uit te spreken, want het Hebreeuws kent geen klinkers, het is een geheimenis.
 
Joël 2:27 Dan zult u weten dat Ik te midden van Israël ben, dat Ik, de HEERE, uw God ben, en niemand anders: Mijn volk zal voor eeuwig niet beschaamd worden!
 
Dat is waar het naar toe gaat, het volk moet weten dat de Here de God van Israël is en ook de hele wereld zal dit uiteindelijk weten.
God maakte Zich eerst bekend als de Almachtige, daarna met een naam, nl. de IK BEN, DE Aanwezige, zie Exodus 3 en Exodus 6, het geeft het karakter van onze God weer.
Dit in tegenstelling tot Allah, dat is de Arabische vertaling voor het woord god, het is dus geen naam.
 
In Joel 1:1 staat dat Joel de zoon is van Pethuel. Dit betekent door God uitgebreid of groot gemaakt. Joel profeteert hoofdzakelijk tot Juda en Benjamin, het 2 stammenrijk, hoewel dit niet altijd strikt te scheiden is. Het gaat in de profetie over het toekomstig herstel van gans Israël, de 12 stammen.
Eerst waren er de 12 stammen - na Salomo een verdeling tussen 10 en 2 stammen - in de toekomst gaat het weer over 12 stammen.
 
Het thema van Joel is de dag des Heren (Yom JHWH), er komt een dag die de Here toebehoort. Het is een periode (niet één dag). JHWH, of zoals het in onze vertaling staat de HEERE, zal Zich openbaren, eerst aan Israël en daarna aan de hele wereld.
Habakuk 2:14 Want de aarde zal vol worden met de kennis van de heerlijkheid van de HEERE zoals het water de bodem van de zee bedekt.
Iedereen zal bekend zijn met de heerlijkheid van God, het zal niet meer zijn van horen zeggen.
 
1 Korinthe 4:3 Maar het betekent zeer weinig voor mij dat ik door u beoordeeld word of door enig menselijk oordeel. Ja, ik beoordeel ook mijzelf niet.
Het woord oordeel is hemera en betekent dag. Het gaat hier dus over de menselijke dag, het menselijk gericht, de mens regeert nu en het zal uitlopen op het hoogtepunt (of dieptepunt) in de mens der wetteloosheid. Openbaring 13 toont de exponent van het rijk van de duisternis, het beest, en deze maakt plaats voor de Rechtvaardige Mens, de exponent van het rijk van het licht.
Handelingen 17:31 en wel omdat Hij een dag vastgesteld heeft, waarop Hij de wereld rechtvaardig zal oordelen door een Man Die Hij daartoe aangesteld heeft. Daarvan heeft Hij aan allen het bewijs geleverd door Hem uit de doden te doen opstaan.
De Man is door de Here God aangesteld, Hij is de HEERE, JHWH.
In het Johannes-evangelie zijn de IK BEN uitspraken opgetekend, waarbij een koppeling wordt gemaakt met het Oude Testament met de HEERE.
Jesaja 44:6 Zo zegt de HEERE, de Koning van Israël, zijn Verlosser, de HEERE van de legermachten: Ik ben de Eerste en Ik ben de Laatste, en buiten Mij is er geen God.
Ook hier is er de link tussen Oude en Nieuwe Testament, zie Openbaring 1:8, 11; 21:6; 22:13. De macht en heerlijkheid worden geopenbaard in de Here Jezus Christus. In Mattheus 24 staat dat Hij zal komen op de wolken met grote macht en heerlijkheid.
 
In bijna alle boeken van de profeten wordt er over de dag des Heren gesproken. Eén Bijbelboek is er geheel aan gewijd, nl. het boek Openbaring. Johannes was 'in de geest' op de dag des Heren, hij werd verplaatst naar de toekomst, het boek Openbaring is een aanvulling op het Oude Testament.
De dag des Heren komt het meest voor in Joel nl. 4x. In Joel 2:1, 11, 31; 3:14. Joel is een korte beschrijving van wat er gebeurt op de dag des Heren.
Het gaat om 7 punten:
1) Het oordeel voor Israël en Juda vanwege ontrouw en ongerechtigheid.
2) Een oproep tot berouw en bekering, dit betekent dat het oordeel dus ontvlucht kan worden!
3) Een rest/overblijfsel komt tot bekering. Als zij roepen antwoordt de Here. Joël 2:32 Het zal geschieden dat ieder die de Naam van de HEERE zal aan aanroepen, behouden zal worden. Want op de berg Sion en in Jeruzalem zal ontkoming zijn, zoals de HEERE gezegd heeft, namelijk bij hen die ontkomen zijn, die de HEERE roepen zal.
Jesaja heeft 2 zonen: Maher Salal Chasbas, zijn naam betekent haastig buit, spoedig roof en spreekt over oordeel. De andere zoon heet Sear Jasub en betekent een rest/overblijfsel zal zich bekeren. Deze namen spreken over oordeel en herstel.
De Here wil aangeroepen worden. De Naam mag niet worden ontheiligd, maar wel worden uitgesproken. Heiligen is doen wat de Here zegt, dat is Hem eren! De orthodoxe Jood spreekt de Naam niet uit maar zegt Hashem (de naam) of Adonai, dat is een aanspreektitel. Dat is tragisch en triest.
4) Door bekering zal Geest op alle vlees gestort worden.
5) Juda en Israël zullen in genade worden aangenomen en het gericht over Israëls vijanden, dat zijn alle volken van de aarde, zal plaatsvinden.
6) De Here zal het land Israël herstellen en bestemmen voor het volk Israël.
7) Israël zal tot een zegen zijn voor en vanuit het midden van de aarde.
 
Uitgangspunt van de profetie is de sprinkhanenplaag, die ten tijd van het uitspreken van de profetie ook is geweest.
 
Joel 1:2-4 spreekt van  een aantal sprinkhanen.
soort in HSV soort in SV soort in NBG Hebreeuws
jonge sprinkhaan rups rups gazam
veldsprinkhaan sprinkhaan sprinkhaan arbeh
trekspringhaan kever verslinder yekeq
zwermspringhaan kruidworm kaalvreter chaciyl
 
De NBG geeft in de vertaling de volgorde goed aan, het gaat van kwaad tot erger, het wordt steeds verwoestender.
Israël wordt als een boom gekarakteriseerd en kaal gevreten.
 
Babel en Egypte worden vaak als vijanden van Israël vermeld. Babel wordt het meest verbonden met de dag des Heren. Het is een verzamelnaam voor de vijanden van Israël in het algemeen. Israël is al eens door Babel uit het land gevoerd in de Babylonische ballingschap voor 70 jaar.
In de eindtijd zal Israël helemaal alleen komen te staan en onder leiding van Babel zal de wereld Israël kaalvreten. Het is wonderlijk dat de Here God dit toelaat om een afvallig volk te oordelen. In het verleden was Nebukadnezar de dienaar van de Here in het plan van God om Juda in ballingschap te leiden. Hij was een instrument in Gods hand.
 
In Joel 1:7 wordt de complete ontmanteling van Juda omschreven, de omschrijving gaat van kwaad tot erger.
In Joel 1:12 worden een aantal bomen genoemd, die in de Bijbel ieder een aspect van Israël weergeven.
 
De wijnstok spreekt van het doel van God met Israël, dat is vrucht dragen in relatie met de Here als de bruid van JHWH in het beloofde land. In Jesaja 5 wordt gesproken over de wijnstok uit Juda. Zie Hosea 10:1 en Johannes 15 waar de Here Jezus zegt dat Hij de Ware Wijnstok is, geboren vanuit Juda. Wijn spreekt van de Geest, de opgestane Here, wijn spreekt van vreugde. In Johannes 2 wordt de geschiedenis van de bruiloft te Kana beschreven. Eerst was er geen wijn, de vreugde was verdord, daarna kwam de beste wijn, een beeld van het Nieuwe verbond.
 
De vijgenboom spreekt van Israël als natie/verbondsvolk dat woont in het aan Abraham beloofde land, zie Hosea 2:11. In de evangeliën wordt gesproken over de vijgenboom waar wel bladeren, maar geen vruchten aan waren. De bloeiwijze is echter dat er gelijktijdig bladeren en vruchten zijn, waarbij er ook sprake is van verschillende oogsten. Het is een beeld van Israël. In de tijd dat de Here Jezus op aarde was, was er geen vrucht, het was verdord/verwelkt en werd daarom vervloekt. Dat geldt ook voor onze tijd, er zijn wel bladeren, maar er is geen vrucht en het is geschikt om vervloekt te worden, Israël is nog niet in het verbond. Het wachten is op het week worden van het hout, dat de bladeren uitspruiten en er kleine vruchten komen die uitlopen op de oogst. Zie Mattheus 24 en Lukas 21.
 
De granaatappelboom spreekt van de zegen bij het onderhouden van de geboden, de heerlijkheid van het priestervolk. Aan de kleding van de hogepriester hingen granaatappeltjes. Dat had Mozes niet bedacht, de Here had aangegeven hoe het kleed er uit moest zien.
 
De palmboom wijst op het koninkrijk en de Koning uit Juda (de Koning der Joden). In Genesis 38 lezen we de geschiedenis van Juda en Thamar. Zij wordt zwanger van haar schoonvader en er wordt een tweeling geboren. Zerah stak zijn hand uit en men bindt een scharlaken koord om zijn handje om aan te geven dat hij de eerstgeborene is. Zerah (=opgaan of rijzen) trekt zich terug en dan komt ineens Perez (doorbraak) tevoorschijn. Dit alles is een beeld van de Here Jezus. De uitgestoken hand is een beeld van de Here Jezus die kwam om te redden, 2000 jaar geleden. Hij ging echter naar de hemel terug. Nu bevinden wij ons in de tijd van de breuk. De Here Jezus Christus zal wederkomen en Israël (en de hele wereld) zal Hem zien. Hij is de koninklijke stam Juda.
Toen de Here Jezus in Jeruzalem kwam, spreidde men palmtakken uit, in Openbaring 7:9 heeft de menigte die niemand tellen kon, palmtakken in de hand.
 
Over de appelboom wordt niet veel in de Bijbel gezegd. Alleen in Hooglied 2:3 en Hooglied 8:5, beeld van respectievelijk bruidegom en bruid.
 
In dit rijtje ontbreekt de olijfboom. De olijfboom wijst op de roeping en bestemming van Israël: een koninklijk priesterschap. Waarom ontbreekt deze boom? Omdat deze roeping van het volk onberouwlijk is, die verdord niet, dat ligt in de trouw van God en is een waarborg van het herstel van Israël ondanks ontrouw en trouwbreuk. Denk hierbij aan de Romeinenbrief.
 
In Mattheus 24 staat: "Let op de olijfboom en alle bomen ...", alles heeft betrekking op Israël.
 
Er is een dag van verwoesting (Joel 1:15) en het volk wordt gewaarschuwd met de bazuin, de sjofar (Joel 2:1) en een machtig volk zal zich over Israël verspreiden, onder aanvoering van Babel (zie Psalm 2). Er zal een oordeel zijn in de eindtijd, zoals beschreven in het boek Zacharia en Daniel (de laatste jaarweek) en de grote verdrukking in Mattheus 24.
Opnieuw klinkt de bazuin in Joel 2:15 Het volk wordt verzameld: roep een bijzondere samenkomst bijeen.
Vroeger streden de afzonderlijke volken tegen Israël, in de eindtijd strijden alle volken in 1 grote coalitie tegen Israël.
De Here zegt, weest niet bevreesd (vers 21), want de Here heeft grote dingen gedaan en weer weest niet bevreesd (vers 22), want de woestijn wordt groen en de bomen dragen vrucht  en geven opbrengst. De vroege en late regen zal komen (vers 23). De Leraar der gerechtigheid is de Here Jezus, JHWH tsidqenuw (zie Jeremia 23:6).
Het Hebreeuwse woord voor leraar (in vers 23) is mowreh en kan zowel leraar als regen betekenen. De vroege regen is het Hebreeuwse woord gehsem moreh, de late regen is weer malkoshe. De 1e halteplaats van Abraham was bij het eikenbos/grote bomen (SV terebinten) van More = mowreh (zie Gen 12:6). De grote bomen van de Leraar.
 
Er wordt gesproken over vroege en late regen. De vroege regen valt van oktober tot begin december, dan wordt er gezaaid. De late regen is in maart en april.  In vers 23 staat in de eerste maand, maand staat echter niet in de grondtekst!
De kalender van God begint in de maand Nisan/Abib onze maand maart/april en loopt tot en met de 7e maand Tishri. De vroege en de late regen vallen dus in de 1e maand van de beide jaren.
De feesten des Heren zijn dus in het geestelijk jaar, zie Leviticus 23. Bij ons zijn de maanden ook wel zo genoemd denk aan september (7), oktober (8), november van neuf (9) en december van deca (10)
De vroege regen is nodig voor het kiemen van het zaad en als de oogst er is, zal de Here Jezus komen, dat is de voleinding van de eeuw, zie Matteus 13:31.
 
Jakobus 5:7 Wees daarom geduldig, broeders, tot de komst van de Heere. Zie, de landbouwer verwacht de kostbare vrucht van het land, en heeft daarbij geduld, totdat het de vroege en late regen zal hebben ontvangen.
De komst van de Here is nabij zegt Jakobus en de Landbouwer verwacht vrucht na de vroege en de late regen.
 
In Handelingen2 haalt Petrus de profetie van Joel aan. Hij zegt niet dat dit al de vervulling is, hij zegt dit is waarvan Joel gesproken heeft: de uitstorting van de Geest.
 
Joel 3 geeft het herstel van Israël weer met het oordeel over de heidenvolken en daarna is het doel bereikt: De Here zal wonen in Sion (Joel 3:21).
Onder aan dit scherm kun je de preek beluisteren of downloaden.
Onderstaand verslag is ook te downloaden in pdf formaat

De kleine profeten - Hosea - P.A. Slagter - 27/09/2012 - Studie 1

Even een tip vooraf: lees het Bijbelboek alvast door, voor de komende studie, want we kunnen de meeste kleine profeten niet helemaal lezen op de Bijbelstudie-avond. Peter wil iedere avond 1 'kleine profeet' behandelen.
 
In de Hebreeuwse Bijbel wordt een onderverdeling gemaakt in:
- de vroege profeten: de boeken Jozua tot en met 2 Koningen
- de latere profeten: de boeken Jesaja tot en met Maleachi
Dat is een mooie verdeling, want het 1e boek van beide reeksen draagt de naam van de Here Jezus in zich, Jehovah redt.
De 12 kleine profeten vinden we in de latere profeten. 'Klein' heeft betrekking op de lengte van de profetie.
Het thema van de profetie is altijd de persoon van de Here Jezus Die Zich openbaart als: de Redder, de Verlosser, de Voleinder.
 
Hosea
De profetie door de mond van Hosea is gericht aan de 10 stammen, Israël met als hoofdstad Samaria.
De verdeling van de 10 en de 2 stammen vond plaats direct na de dood van Salomo, ten tijde van Jerobeam en Rehabeam (2 Kronieken 10).
De 2 stammen, Juda en Benjamin, hadden Jeruzalem als hoofdstad.
Hosea trad ongeveer 750 voor Christus op. Het was een bloeitijd met welvaart en afgoderij (gaat meestal samen) onder Jerobeam II, de zoon van Joas. Dit werd nog erger na de dood van de koning en Israël kwam meer onder de invloedsfeer van Syrië (noordelijk en oostelijk van het land), en Israël zoekt steun bij Egypte.
Syrië verovert Jeruzalem en het volk gaat in de Assyrische Ballingschap rond 722 voor Christus.
 
Hosea 1:1 zegt dat het Woord van de Here tot Hosea, de zoon van Beeri (mijn bron) kwam.
Het leven van Hosea wordt gekenmerkt door het trouwen met een hoer:
Hosea 1:2 Het begin van het spreken van de HEERE door Hosea. De HEERE zei tegen Hosea: Ga! Neem voor u een vrouw van de hoererijen en kinderen van de hoererijen, want het land wendt zich in schandelijke hoererij van de HEERE af.
Dat is opzienbarend, een onterende gelegenheid en tekenend voor de situatie in Israël, (vers 2 einde) want het land wendt zich in schandelijke hoererij van de Here af. Zij gaven zich over aan de afgod Baäl (Heer, in de betekenis van bezitter), de tegenstander.
 
In Hosea zien we
- enerzijds Gods liefde voor Israël, zelfs al geeft zij zich aan een ander en
- anderzijds de toorn van God.
Hij is bedroefd over de zonde.
 
Mozes had reeds namens de Here aan het volk verkondigd dat als het volk zich aan het verbond zou houden, God hen zou zegenen, maar als ze zich niet aan het verbond hielden Hij hen zou treffen met de vloek.
 
God heeft vol van lankmoedigheid veel profeten geroepen (die veel moesten doen en verdragen!) die het volk duidelijk moesten maken dat zich moesten bekeren.
Tot de maat bij God vol is, dan volgt de sanctie, de Assyrische ballingschap in 722 voor Christus. Voor Juda was dit in 586 voor Christus, zij gingen voor 70 jaar in Babylonische ballingschap, ze werden weggevoerd door Nebukadnezar, want Babel was in die tijd de wereldmacht. De situatie was in Juda zo mogelijk nog erger dan in Israël, terwijl ze een voorbeeld in het 10-stammenrijk hadden!
Juda kwam weer terug uit de Babylonische ballingschap, hierover lezen we in Ezra en Nehemia. Daarna volgde ca. 400 jaar in de druk der tijden (zie het boek Daniël). Toen kwam de Here Jezus en volgde Zijn bediening. In het jaar 70 werd Jeruzalem vernietigd en werd het volk verstrooid over de aarde.
 
De naam Hosea betekent verlossing. In vers 3 staat dat Hosea, Gomer (volmaakt/voleinding) tot vrouw neemt. Het volk van Israël was niet volmaakt, maar zal dit uiteindelijk wel worden!
In Hosea vinden we het beeld van de relatie van de Here en Israël. Die begon officieel met de verbondssluiting.
Exodus 19:5 Nu dan, als u nauwgezet Mijn stem gehoorzaamt en Mijn verbond in acht neemt, dan zult u uit alle volken Mijn persoonlijk eigendom zijn, want heel de aarde is van Mij.
6 U dan, u zult voor Mij een koninkrijk van priesters en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden die u tot de Israëlieten moet spreken.
7 Mozes kwam terug en riep de oudsten van het volk, en hield hun al deze woorden voor, die de HEERE hem geboden had.
8 Toen antwoordde heel het volk gezamenlijk en zei: Alles wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen! En Mozes bracht de woorden van het volk weer over aan de HEERE.
 
Vers 5 zegt dat Israël, Gods persoonlijk eigendom is. De aarde is van de Here God, want alle dingen zijn uit Hem, door Hem en tot Hem.
Uit de hele volkerentafel van Genesis 10, vanuit de zoon van Noach, via Sem werd uiteindelijk via Abraham (zie Genesis 11:10-32) en Izak, Israël verkozen.
In vers 6 bestemt de Here God Israël tot een heilig volk, goi, dat wil zeggen dat zij net waren als alle andere (heiden)volken, maar een bijzonder plaats kregen, ze waren nl. een heilig (apart gezet) volk.
Het volk antwoordde als één man (gezamenlijk) dat zij zouden doen alles wat de Here gesproken had (vers 8). Dat is de enige goede reactie van het volk (en van een mens) als de Here iets vraagt, maar de druk die dat geeft, is enorm, alsof wij dat zouden kunnen volbrengen. Ons past dan: "Zo waarlijk helpe mij God Almachtig", want hoe zouden wij ooit iets kunnen doen zonder de hulp van de Allerhoogste?

De vraag is, wanneer zal Israël dat ook daadwerkelijk gaan doen? Pas als zij de Heilige Geest hebben ontvangen en dat geldt natuurlijk ook voor ons.
 
Hosea 1:3 Hij ging en nam Gomer, een dochter van Diblaïm; zij werd zwanger en baarde hem een zoon.
4 Toen zei de HEERE tegen hem: Geef hem de naam Jizreël, want nog even en Ik zal de bloedschulden van Jizreël vergelden aan het huis van Jehu, en Ik zal het koningschap van het huis van Israël wegdoen.
 
Jizreël betekent God plant of God zaait, alles gaat van God uit. Wij zoeken goede grond uit om te zaaien, zo niet bij de Here. Het begint in de diepte van ellende, in onvruchtbare grond, in de woestijn, in de dood. Dat is ook zo in ons leven!
Abraham en Sara hadden geen kinderen, geen erfgenaam (daar zorgt Abraham in de tussentijd zelf voor, met alle ellende van dien), maar de Here zorgt voor nageslacht (leven) via Izak en Jakob. Het gaat om sterven, dood en opstanding.
 
Hosea 1:6 Zij werd opnieuw zwanger, en zij baarde een dochter. Daarop zei Hij tegen hem: Geef haar de naam Lo-Ruchama, want Ik zal Mij voortaan niet meer ontfermen over het huis van Israël, want ik zal hen zeker wegvoeren.
7 Maar over het huis van Juda zal Ik Mij ontfermen, en Ik zal hen verlossen door de HEERE, hun God. Ik zal hen echter niet verlossen door boog, door zwaard, door strijd, door paarden of door ruiters.
8 Toen zij Lo-Ruchama niet meer de borst gaf, werd zij weer zwanger, en zij baarde een zoon.
9 En Hij zei: Geef hem de naam Lo-Ammi, want u bent niet Mijn volk en Ík zal er voor u niet zijn.
 
Gomer baart Lo-Ruchama Ik zal mij niet ontfermen (vers 6) en daarna Lo-Ammi, niet mijn volk, Ik zal er voor u niet zijn (vers 9), de nadruk ligt op Ik, de maat was vol. Momenteel is het Lo-ammi, geen ontferming voor Israël.
 
Hosea 1:10 Toch zal het aantal Israëlieten zijn als het zand van de zee, dat niet gemeten en niet geteld kan worden. En het zal gebeuren dat in de plaats waar tegen hen gezegd is: U bent niet Mijn volk, tegen hen gezegd zal worden: kinderen van de levende God.
11 Dan zullen de Judeeërs bijeengebracht worden samen met de Israëlieten. Zij zullen voor zich één Hoofd aanstellen en uit het land oprukken; want groot zal de dag van Jizreël zijn.
 
Toch zal er ontferming komen, want zij zullen kinderen van de levende God zijn (vers 10), Juda zal samen met Israël optrekken in de (verre) toekomst. De volgorde is als volgt:
- er was een verbond met Israël, Mijn volk en Hij ontfermde Zich erover
----- er kwam een verbondsbreuk = scheiding, Israël is niet Mijn volk, Hij ontfermt Zich niet over hen
- de Here plant en zaait, Israël wordt weer Zijn volk, Hij ontfermt Zich over hen
 
Hosea 2 spreekt over oordeel en herstel.
Hosea 2:10 Ik zal haar vreugde doen ophouden, haar feesten, haar nieuwemaansdagen en haar sabbatten, ja, al haar feestdagen.
11 Ik zal haar wijnstok en haar vijgenboom verwoesten, waarvan zij zegt: Die vormen voor mij het hoerenloon dat mijn minnaars mij gegeven hebben. Maar Ik zal er een woud van maken en de dieren van het veld zullen ervan vreten.
12 Ik zal haar de dagen van de Baäls vergelden, waarop zij hun reukoffers bracht. Zij tooide zich met haar ring en haar halssieraad en ging achter haar minnaars aan, maar Mij vergeet zij, spreekt de HEERE.
13 Daarom, zie, Ikzelf ga haar lokken, haar de woestijn in leiden, en naar haar hart spreken.
14 Ik zal haar daarvandaan haar wijngaarden geven, en het Dal van Achor tot een deur van hoop. Daar zal zij zingen als in de dagen van haar jeugd, als op de dag dat zij wegtrok uit het land Egypte.
 
In vers 10 t/m 12 wordt gesproken over uitzetting uit het land en verwoesting en in vers 13 en 14 over de hoop die er is in de woestijn.
Het dal van Achor (een plaats van straf voor Achan, een plaats van verdriet, zie Jozua 7) wordt tot een deur van hoop. Deur is het Hebreeuwse daleth, een opening, een weg van hoop. In Johannes 10 zegt de Here Jezus dat Hij de deur is, de hoop.
 
In Hosea 2:15-20 wordt gesproken over "Die dag", de dag in de toekomst, waarin Israël de bruid zal zijn (vers 19).
Jeremia 31:1 In die tijd, spreekt de HEERE, zal Ik al de geslachten van Israël tot een God zijn, en zíj zullen Mij tot een volk zijn.
2 Zo zegt de HEERE: Het volk dat aan het zwaard ontkomen was, heeft genade gevonden in de woestijn, toen Ik op weg ging om hem, Israël, tot rust te brengen.
3 Van verre tijden af is de HEERE aan mij verschenen: Met eeuwige liefde heb Ik u liefgehad, daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid.
4 Ik zal u weer bouwen en u zult gebouwd worden, maagd Israël. Opnieuw zult u zich tooien met uw tamboerijnen, opnieuw zult u uittrekken in een reidans van vrolijke mensen.
5 Opnieuw zult u wijngaarden planten op de bergen van Samaria: de planters zullen planten en de vruchten genieten.
 
"In die tijd" (vers 1), zal er genade gevonden worden in de woestijn en er zal rust zijn (vers 2), er zal herstel vanuit de woestijn zijn. Jizreël het zaad zal worden gezonden, het zaad van het evangelie.
Over de woestijn wordt gesproken in Ezechiel 20, Openbaring 12 en Jeremia 31 waar het Nieuwe Verbond wordt getoond, niet zoals het Oude Verbond, maar met Gods Geest in hun binnensten en de Wet in het hart.
 
In Hosea 3:1 moet Hosea weer tot Gomer gaan, die een beeld is van Israël.
 
Hoe komt Gods liefde voor Israël tot uitdrukking?
In de Here Jezus, Hij is gezonden tot het verloren volk van Israël om Zich over hen te ontfermen. Ik ben de goede Herder.
Liefde is de drang tot gemeenschap, maar
God kan Zijn gerechtigheid niet voorbij gaan (door de vingers zien).
 
Deze 2 elementen komen samen in de Here Jezus Christus. Hij is liefde en kwam om de gerechtigheid van God te voldoen.
 
In Hosea 3:4 staat dat Israël veel dagen zonder koning en vorst, gewijde steen, efod en afgodsbeeld moet zijn, want daarna zullen zij zich bekeren (vers 5) in "later tijd". Bekering is noodzakelijk.
 
Zacharia 1:3 Daarom, zeg tegen hen: Zo zegt de HEERE van de legermachten: Keer terug naar Mij, spreekt de HEERE van de legermachten, dan zal Ik naar u terugkeren, zegt de HEERE van de legermachten.
Keer terug naar Mij. We komen vaak in problemen met uitverkiezing. De Here vraagt om bekering. Op de deur staat "bekeert u", als we zijn binnen gegaan staat op de achterkant van de deur "uitverkoren". Het mysterie is groot, maar ontslaat de mens niet van de plicht Hem te zoeken.
 
Hosea 4 is een aanklacht tegen de leiders, ook die van Juda.
Hosea 4:6 Mijn volk is uitgeroeid, omdat het zonder kennis is. Omdat ú de kennis verworpen hebt, heb Ik u verworpen om als priester voor Mij te dienen. Omdat U de wet van uw God hebt vergeten, zal Ik ook uw kinderen vergeten.
God spreekt de priester aan. De taak van de priester was het toezicht op de tempel(dienst) en het onderwijzen in de inzettingen van God.
In vers 7 t/m 9 staat dat de priesters meegingen in de afgoderij van het volk, ze wilden bij het volk in een goed blaadje komen. Het doel was echter dat Israël een koninkrijk van priesters zou zijn.
 
Hosea 5:15 Ik ga en keer terug naar Mijn woonplaats, totdat zij zich schuldig weten en Mijn aangezicht zoeken. In hun benauwdheid zullen zij Mij ernstig zoeken.
 
Er wordt vaak gesproken over benauwdheid.
Jeremia 30:3 Want zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat Ik een omkeer zal brengen in de gevangenschap van Mijn volk, Israël en Juda, zegt de HEERE, en Ik hen zal terugbrengen naar het land dat Ik hun vaderen gegeven heb, en zij zullen het in bezit nemen.
4 Dit zijn de woorden die de HEERE gesproken heeft tot Israël en tot Juda.
5 Want zo zegt de HEERE: Een schrikwekkende stem hebben wij gehoord, angst is er, geen vrede.
6 Vraag toch en zie of een man baren kan? Waarom heb Ik dan iedere man gezien met zijn handen op zijn heupen als een barende vrouw, en waarom zijn alle gezichten lijkbleek weggetrokken?
7 Wee! Want die dag is groot, er is er geen als hij. Het is een tijd van benauwdheid voor Jakob, toch zal hij daaruit verlost worden.
 
Een dag van benauwdheid voor Jakob (vers 7), er zal herstel zijn als het leven wegvliedt, want dan zullen zij de Here ernstig zoeken (Hos. 5:15).
 
Hosea 6 spreekt van de komst van de Here die leidt tot ommekeer.
Hosea 6:1 Kom, laten wij terugkeren naar de HEERE, want Hij heeft verscheurd, maar Hij zal ons genezen; Hij heeft geslagen, maar Hij zal ons verbinden.
2 Na twee dagen zal Hij ons levend maken, op de derde dag zal Hij ons doen opstaan. Dan zullen wij voor Zijn aangezicht leven.
3 Dan zullen wij kennen, wij zullen ernaar jagen de HEERE te kennen! Zijn verschijning staat vast als de dageraad. Ja, Hij komt naar ons toe als de regen, als late regen, die het land natmaakt.
 
Na benauwdheid zal het volk terugkeren (vers 1), er volgt een opstanding op de derde dag (daarvoor was de dood, de woestijn), zij worden tot leven gewekt: "dan zullen wij voor Zijn aangezicht leven" (vers 2). Israël zal ernaar jagen om de Here te kennen (vers 3).
De consequentie van dit alles is, dat als de dag van Jakobs benauwdheid nog niet geweest is er ook geen herstel kan zijn. Het huidige Israël (een republiek!) is geen vervulling van de belofte, maar de staat Israël is wel nodig om tot het einddoel te komen.
 
Hosea 7 en Hosea 8 spreken over de onbekeerlijkheid en ondergang.
Hosea 8:14 Israël vergat zijn Maker, en bouwde paleizen, Juda heeft de versterkte steden talrijk gemaakt. Daarom zal Ik vuur werpen in zijn steden; dat zal zijn paleizen verteren.
"Israël vergat zijn Maker"! Zie ook Deuteronomium 32:15-20.
 
Hosea 7:8 Efraïm, met de volken vermengt het zich. Efraïm is een koek die niet omgekeerd is.
De bedoeling was dat het volk in het land zou wonen.
Ezechiël 36:21 Maar Ik spaarde hen vanwege Mijn heilige Naam. Het huis van Israël had die ontheiligd onder de heidenvolken waarheen zij gegaan waren.
22 Zeg daarom tegen het huis van Israël: Zo zegt de Heere HEERE: Ik doe het niet om u, huis van Israël, maar om Mijn heilige Naam, die u ontheiligd hebt onder de heidenvolken waarheen u gegaan bent.
23 Ik zal Mijn grote Naam heiligen, die onder de heidenvolken ontheiligd is, die u in hun midden ontheiligd hebt. Dan zullen de heidenvolken weten dat Ik de HEERE ben, spreekt de Heere HEERE, als Ik in u voor hun ogen geheiligd word.
Door de verstrooiing ontheiligden zij daar de heilige naam van God.
Na de doop van de Here Jezus, de verzoeking in de woestijn, volgde de bergrede, waarin het heiligen van Gods naam naar voren komt.
 
Hosea 9 en Hosea 10 spreken van zonde en straf van hogerhand.
Hosea 9:17 Mijn God zal hen verwerpen, omdat zij naar Hem niet luisteren. Zij zullen zwervers onder de volken zijn.
Zie Deuteronomium 28-30, de zegen en de gevolgen van de vloek: zwervers onder de volken.
Hosea 10:8 Weggevaagd zullen worden de hoogten van Aven, de zonde van Israël; doornen en distels zullen opschieten tot boven hun altaren. Dan zullen zij tegen de bergen zeggen: Bedek ons! en tegen de heuvels: Val op ons!
In Openbaring 6:16 wordt ook gesproken over bergen en heuvels.
 
Hosea 11:1 spreekt over de zoon.
Exodus 4:22 Dan moet u tegen de farao zeggen: Zo zegt de HEERE: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël.
Matthéüs 2:15 En hij bleef daar tot de dood van Herodes, opdat vervuld werd wat door de Heere gesproken is door de profeet: Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen.
Zoon wordt dus op het volk Israël en op de Here Jezus toegepast, de ware Eerstgeborene! Israël moest uit Egypte om de Here te dienen, maar het volk diende de Here niet. Filippenzen 2 spreekt over de Dienstknecht, de Gehoorzame tot de dood, Hij heeft de wet vervuld.
De dood kon Hem niet vasthouden, want Hij heeft niet gezondigd (het loon van de zonde is de dood), Christus is in dood en opstanding altijd de levende geweest.
 
Hosea 12 en Hosea 13 zijn een terugblik en samenvatting van de zonde. Het advies is om geen heil te zoeken bij anderen, maar alleen bij de Here.
Hosea 13:4 Maar Ik ben de HEERE, uw God, sinds het land Egypte. Een God behalve Mij mag u daarom niet erkennen, en buiten Mij is er geen Heiland.
 
Hosea 14:1 Ook al draagt hijzelf tussen broeders vrucht, de oostenwind zal komen, de adem van de HEERE, die opsteekt uit de woestijn. Zijn bron zal uitdrogen en zijn wel droogvallen. Die zal de schat plunderen van al zijn kostbare voorwerpen.
2 Bekeer u, Israël, tot de HEERE, uw God, want u bent gestruikeld door uw ongerechtigheid.
3 Neem deze woorden met u mee, bekeer u tot de HEERE. Zeg tegen Hem: Neem alle ongerechtigheid weg, neem het goede aan. Dan zullen wij de offers van onze lippen nakomen.
4 Assyrië zal ons niet verlossen, op paarden zullen wij niet rijden. Wij zullen nooit meer zeggen: U bent onze god tegen het werk van onze handen. Bij U immers vindt een wees ontferming.
5 Ik zal hun afkerigheid genezen, Ik zal hen vrijwillig liefhebben, want Mijn toorn heeft zich van hem afgewend.
6 Ik zal voor Israël zijn als de dauw. Hij zal in bloei staan als de lelie, wortel schieten als de Libanon.
7 Zijn jonge loten zullen uitlopen, zodat zijn pracht zal zijn als de olijfboom, en hij zal een geur hebben als de Libanon.
8 Zij zullen opnieuw in zijn schaduw zitten, koren verbouwen en in bloei staan als de wijnstok; zijn gedachtenis zal zijn als de wijn van Libanon.
9 Efraïm, wat heb Ik nog met de afgoden te maken? Ík heb hem verhoord en zal naar hem omzien. Ik zal zijn als een altijd groene cipres. Door Mij is bij u vrucht te vinden.
10 Wie is zo wijs, dat hij deze dingen begrijpt, en zo verstandig dat hij ze kent? De wegen van de HEERE zijn immers recht. De rechtvaardigen zullen daarop wandelen, maar de overtreders zullen erop struikelen.
 
Hebreeën 13:15 Laten wij dan altijd door Hem een lofoffer brengen aan God, namelijk de vrucht van lippen die Zijn Naam belijden.
 
Jesaja 55:12 Want in blijdschap zult u uittrekken en met vrede voortgeleid worden. De bergen en de heuvels zullen voor uw ogen uitbreken in gejuich en alle bomen van het veld zullen in de handen klappen.
13 Voor een doornstruik zal een cipres opkomen, Voor een distel zal een mirt opkomen; en het zal de HEERE zijn tot een naam, tot een eeuwig teken, dat niet zal worden uitgewist.
 
De bomen van het veld zullen in de handen klappen, de vloek verandert in zegen voor altijd. De cipres is altijd groen.
Hosea 14:10 vraagt: "Wie is zo wijs?".
Spreuken 1:7 De vreze des HEEREN is het beginsel van de kennis, dwazen verachten wijsheid en vermaning.
Spreuken 4:7 Het beginsel van wijsheid is: verwerf wijsheid, en bij alles wat je verwerft: verwerf inzicht!
Het antwoord is dus: die de vreze des Heren kent en het verwerven van wijsheid.
 
Laten wij daarom als leden van het Lichaam van Christus te rade gaan bij Christus:
 
in Wie al de schatten van de wijsheid en van de kennis verborgen zijn (Kolossenzen 2:3).
 

Agenda

  • 23 03
    Bijbelstudiedag met Hoite Slagter - "Belangrijke dagen in de Bijbel" 10:00 tot 14:30
  • 24 03
    samenkomst met Jaap Plomp 10:00 tot 11:30
  • 23 03 - 24 03
  • 31 03 - 04 04
  • 07 04 - 14 04
  • 21 04 - 28 04
  • 02 05 - 05 05
  • 12 05 - 19 05
  • 26 05 - 02 06
  • 09 06 - 16 06
  • 23 06 - 30 06
  • 07 07 - 14 07
  • 21 07 - 28 07
  • 04 08 - 11 08
  • 18 08 - 18 08

Deel deze pagina via

Volg ons via twitter @egkaleo

Recente preken

Loading Player...