Levi Mattheus
Mattheüs schreef het eerste boek van het Nieuwe Testament. Daarin toont hij aan dat Jezus de Messias is: dé beloofde Zoon van David, Die kwam om het Koninkrijk der hemelen in Israël te vestigen.
Mattheus moet een kenner geweest zijn van de Tenach, want regelmatig wijst hij op de vervulling van profetieën, waaronder die van de profeet Jeremia[i]. Wie was deze apostel?
Mattheus woonde in Kapernaüm. Zijn vader heette Alfeüs (Mark. 2:14). Waarschijnlijk gaf deze hem bij zijn besnijdenis de Hebreeuwse naam Levi (Matt. 9:9). Gewoonlijk werd hij bij zijn Griekse naam Mattheus genoemd.
Hij was tollenaar van beroep, een douanier, die omzetbelasting inde voor de Romeinse overheid[ii]. In Kapernaüm had hij een tolhuis (belastingkantoor, Luk. 5:27). Deze plaats lag aan het meer van Galilea, aan de Via Maris. Deze route liep van Heliopolis (nu Caïro) langs de kuststeden van Israël naar Damascus. Daar passeerde veel koopwaar, waarover Mattheüs belasting hief, ook over de visvangst van het meer. Er was toezicht van Romeinse soldaten. De tolgelden waren voor de Romeinse schatkist en werden verzameld in Caesarea, Jericho en Kapernaüm. Die van Kapernaüm waren toen bestemd voor Herodes Antipas.
Tollenaren kochten van de Romeinse overheid een belastingcontract voor een dorp of een gebied. Het contract werd gegund aan de hoogste bieder! Zacheüs, de oppertollenaar in Jericho, had een groot gebied, met tollenaars onder hem die een deelgebied, een dorp, van hem gekocht hadden. Hij was rijk (Luk. 19:2). Van Rome mochten tollenaars overhouden wat zij aan belasting te veel inden. Dit laatste was de praktijk! Je werd er rijk van.
Tollenaar zijn had een keerzijde. Zij werden veracht, gezien als afpersers, verraders, als collaborateurs met Rome. Daarom werden zij geëxcommuniceerd zowel uit de synagoge als de tempel, ze waren de schande van hun familie. In de Joodse wetgeving stonden tollenaars in de categorie ‘rovers’. Met zulke zondaren ga je niet om, aldus de Farizeeën (Luk. 5:30), die Jezus beschuldigden een Vriend van hen te zijn (Matt. 11:19).
Belastinginners stonden dus buiten de maatschappij en buiten het godsdienstige leven. Je vraagt je af, welke visie had Mattheus op de Messias, Die toen, op die dag ...bij hem langs kwam, hem zag in het tolhuis en tegen hem zei: “Volg Mij! En hij (Levi) stond op en volgde Hem” (Matt. 9:9). Hij verliet zijn belastingbedrijf, had dus geen inkomsten meer, (andere discipelen konden nog gaan vissen!).
Kort daarna nodigde hij velen uit voor een maaltijd, waaronder veel tollenaars. De Heere en de discipelen waren daarbij (Matt. 9:10). Zo getuigde Mattheus openlijk Jezus te willen volgen. Tot groot ongenoegen van de Farizeeën (Matt. 9:11). Zij begrepen niet dat “de Zoon des mensen gekomen is om te zoeken en zalig te maken wat verloren is” (Luk. 19:10). Ook de tollenaar Zacheüs organiseerde een maaltijd, toen de Heer in zijn huis wilde zijn (Luk. 5:29). Tijdens die maaltijd zei hij tegen Jezus: “Zie, de helft van mijn goederen, Heere, geef ik aan de armen, en als ik van iemand iets heb afgeperst, geef ik dat vierdubbel terug” (Luk. 19:8). Ook hij werd een volgeling van de Heere.
Mattheus betekent gave van God! Hij was door de Heer gekozen en behoorde tot de twaalf apostelen (Matt. 10:3). Zijn naam zal staan op een van de fundamenten van de stadsmuur van het nieuwe Jeruzalem, als apostel van het Lam (Openb. 21:14). Het Lam, dat eens Koning Messias zal zijn van Israël, over Wie hij zoveel in zijn Evangelie vastlegde.
Ineke van Lieshout
[i] Matt. 2:17, 23; 4:14; 8:17; 12:17; 13:35; 27:9.
[ii] De Romeinen lieten de inning van de reguliere belastingen over aan hun gouverneurs of procureurs.
Literatuur
Encyclopedia Judaïca; International Standard Bible Encyclopedia; Bijbelaantekeningen.nl; Encyclopedia Brittanica.
Afbeelding: The Feast in the House of Levi, by Paolo Veronese, public domain, commonswikimedia.org