Gods Woord is verreikend en verrijkend

Gebruikerswaardering: 0 / 5

Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 

Zacharia - deel 15 - De slag om Jeruzalem

uit: AMEN 55, pagina 32

Sebastiaan de Graaf
Wie verlost wordt uit onderdrukking, zal doorgaans een besef van bevrijding kennen wat blijdschap teweegbrengt. Zo is dit niet voor Israël, laat Zacharia 12 zien. De HERE zal hen verlossen van hun vijanden. Maar deze betoonde genade brengt slechts rouwklacht bij hen. Niet omdat zij ontevreden zijn over het werk van de HERE, maar omdat zij door Gods goedheid bepaald worden bij hun eigen ongehoorzaamheid. Gods verlossing opent hun ogen voor wie zij aan het kruis gehangen hebben, namelijk de Christus. Zij hebben hun Zoon en Verlosser, Die slechts liefde en barmhartigheid wilde brengen, omgebracht. Zo toont dit gedeelte dat het licht van Gods genade de menselijke zondigheid en beperktheid, voordat het deze wegneemt, eerst uitvergroot om de mens des te meer te leren zich van God afhankelijk op te stellen.

Tweede Godsspraak (vs. 1)

Het begin van hoofdstuk 12 markeert een nieuw gedeelte in het boek Zacharia. Er wordt hier, net als in hoofdstuk 9, gesproken over een 'Godsspraak'. In artikel 11 kwamen wij al tot de conclusie dat een Godsspraak vaak duidt op de voorspelling van een 'zwaarte' of 'moeite' die uit verplichting gedragen moet worden. Er zou ook gesproken kunnen worden van oordeelsprofetie. Waar in hoofdstuk 9 over de Godspraak als een woord des HEREN gesproken wordt, daar duidt het in hoofdstuk 12 op een woord des HEREN over Israël. De Godsspraak in hoofdstuk 12 heeft dus betrekking op dit volk. Bij het lezen en bestuderen van hoofdstuk 12 moet beseft worden dat het opschrift niet alleen voor dit hoofdstuk geldt, maar ook voor de daaropvolgende hoofdstukken 13 en 14. Hoofdstuk 12 loopt door in hoofdstuk 13 en 14. Deze drie hoofdstukken vormen dus één geheel. In die zin moeten de gebeurtenissen binnen deze hoofdstukken ook allen in dezelfde tijd geplaatst worden. Wat zich dus in hoofdstuk 14 afspeelt, vindt in dezelfde periode als hoofdstuk 12 (en ook 13) plaats.
Zoals reeds opgemerkt handelen hoofdstuk 12 t/m 14 voornamelijk over Israël. Hoofdstuk 12 begint met de belegering en verlossing van Jeruzalem. Daarna wordt gesproken over Israëls rouwklacht over de Messias. In hoofdstuk 13 gaat het over het oordeel over de goddelozen uit Israël. Hoofdstuk 14 tenslotte handelt over de openbaring van het koningschap van de Messias over Israël. Daarbij merken wij nogmaals op dat al deze zaken binnen dezelfde periode plaats zullen vinden. De tijdsspanne waarover hier gesproken wordt, begint om en nabij de laatste jaarweek van Daniël met de daarbij behorende zogenaamde 'grote verdrukking' en eindigt met het aanbreken van het duizendjarig rijk onder het bewind van de Messias.

Het woord van de HERE (vs. 1)

De profetische beschrijving van dit hoofdstuk begint met verheffende woorden over de HERE. Het is ten eerste Zijn woord dat hier gesproken wordt: "Aldus luidt het woord des HEREN…". Deze frase komt meer voor in Zacharia. Soms wordt er gesproken over de 'dabar' van JaHWeH, waarmee dan de nadruk gelegd wordt op de daden die Gods Woorden voortbrengen. In hoofdstuk 12 wordt echter gesproken over de 'na'um' van JaHWeH. Dit duidt meer op het woord en de uitspraak zelf als zijnde van God afkomstig. Wat hier echter nog belangrijker is, is de toevoeging: "…die de hemel uitspant en de aarde grondvest, en de geest des mensen in diens binnenste formeert." Er wordt extra nadruk gelegd op Gods grootheid en almacht. Wie zal Hem tegenspreken die de hemel, de aarde en de mens gemaakt heeft en daarmee kan handelen zoals Hijzelf maar wenst? 
De uiteenzetting over Gods grootheid moet de woorden in de komende hoofdstukken extra kracht en gezag meegeven. Het is een belangrijke en ingrijpende profetie waaraan niet getwijfeld of afgedaan mag worden.

Een schaal der bedwelming (vs. 2)

De eerste inhoudelijke woorden van de profetie worden gesproken in vers 2: "Zie ik maak Jeruzalem tot een schaal der bedwelming voor alle volken in het rond…". Deze boodschap bepaalt ons bij de gebeurtenissen zoals die in de laatste jaarweek voor Christus' wederkomst plaatsvinden en zoals onder andere in Daniël 9 staat beschreven: "…en het volk van een vorst die komen zal, zal de stad en het heiligdom te gronde richten." Jeruzalem en Juda zullen belegerd worden door de omliggende volken en daaropvolgend overwonnen en bezet worden (14:2). Maar deze overwinning zal van korte duur zijn. Uiteindelijk zullen de bezetters aan het kortste eind trekken, of zoals Daniël 9 vervolgt: "…maar zijn einde zal zijn in de overstroming."
Dat de belegering van Jeruzalem een grote vergissing zal blijken te zijn, wordt duidelijk uit het beeld dat in vers 2 gebruikt wordt. Jeruzalem zal een schaal van bedwelming voor de volken zijn. Wat hier onder verstaan moet worden, blijkt enigszins uit wat in Psalm 75 staat: "Want in des HEREN hand is een beker en de wijn bruist daarin, overvloedig gemengd; Hij schenkt daaruit tot de droesem toe, alle goddelozen op aarde moeten hem slorpende drinken." 
Het belegeren en overwinnen van Jeruzalem zal aantrekkelijk voor de volken lijken, maar de roes van de schijnbare overwinning zal uiteindelijk een ontnuchterend effect hebben omdat de volken buiten Israëls God hebben gerekend. Zij hebben juist buiten Hem gerekend doordat zij meenden God reeds in hun midden te hebben in de verschijning van de antichrist. De begerenswaardige schaal van bedwelming zal door deze vergissing uiteindelijk veranderen in een beker van gramschap: "Want aldus heeft de HERE, de God van Israël, tot mij gezegd: Neem deze beker met de wijn der gramschap uit mijn hand en geef die te drinken aan alle volken, tot welke Ik u zend, dat zij drinken en waggelen en dol worden ten gevolge van het zwaard, dat Ik onder hen zend." (Jer. 15:15-16)
De goddelozen uit Israël en de omliggende volken die tegen de HERE opstaan door de belegeraar van Jeruzalem te dienen, zullen samen met deze belegeraar uit hun euforie ontwaken en in de kwade werkelijkheid van Gods toorn gewekt worden.

Een steen die alle natiën moeten heffen (vs. 3)

De vergissing van de volken en de ongelovigen uit Israël blijkt ook duidelijk uit de woorden van vers 3: "Te dien dage zal ik Jeruzalem maken tot een steen, die alle natiën moeten heffen; allen die hem heffen, zullen zich deerlijk verwonden."
Het beeld dat hier gebruikt wordt, is afkomstig van een toenmalige gewoonte. Om jonge mannen op te leiden tot de strijd, moesten zij grote ronde stenen optillen en opheffen zodat hun spieren sterker werden. Dergelijke stenen waren er in verschillende maten en gewichten. De steen die de volken moeten tillen, lijkt in eerste instantie wat omvang betreft een te behalen uitdaging. Echter, hij blijkt uiteindelijk scherp en onhandelbaar te zijn, zodat het gewicht wel te bevatten, maar de omvang niet te omvatten is. De volken zullen zich ten dode toe bezeren en de steen los moeten laten. Zij zullen Jeruzalem enige tijd bezetten, maar het uiteindelijk moeten verlaten wanneer de Messias komt om Zijn volk te bevrijden.

De paarden met verbijstering getroffen (vs. 4)

Vers 4 laat een nadere verklaring zien van vers 3. Het zich verwonden aan de steen Jeruzalem zal zichtbaar worden in de paarden die met verbijstering en blindheid, en de berijders die met krankzinnigheid getroffen worden. Dit wijst waarschijnlijk op een ongeloof'lijk fenomeen dat aan deze legermachten zal verschijnen. Zij wanen zich met al hun manschappen en materieel onoverwinnelijk en in staat alle militaire obstakels en tegenstand te overwinnen. Maar dan doet zich een kracht en macht voor die al hun berekeningen en voorstellingsvermogen te boven gaat. Het is de heerlijkheid van de HERE die verschijnt in de gedaante van de Messias. Er kan hier gedacht worden aan de ervaringen van Mozes en Paulus die beiden iets mochten zien van Gods heerlijkheid. Mozes' uiterlijk straalde letterlijk na afloop en Paulus werd met tijdelijke blindheid geslagen. Zo zal het ook de volken in die tijd vergaan, maar dan in negatieve zin. Voor hen zal het geen heerlijke, maar een schrikwekkende verschijning zijn.

De verdediging van Jeruzalem (vs. 5-6)

Nadat de HERE Zijn werk met de goddelozen voltooid en Jeruzalem bevrijd heeft, zullen Juda en Jeruzalem betrokken worden bij de verdediging van de stad. De woorden die volgen in vers 6 hebben dan ook betrekking op de periode na de bevrijding van Jeruzalem en de vestiging van het Messiaanse rijk in Israël. Jeruzalem zal niet meer overlopen worden, want de bewoners zullen het vanuit de kracht van de HERE verdedigen. Toekomstige belegeraars zullen met vuur verteerd worden en Jeruzalem zal altijd op zijn eigen plaats blijven staan, namelijk te Jeruzalem. Dit laatste duidt erop dat Jeruzalem in de toekomst de betekenis van haar naam (stad van de vrede) zal waarborgen. Een aanvulling op deze woorden is terug te vinden in hoofdstuk 2, waar de HERE zegt: "En Ikzelf, luidt het woord des HEREN, zal haar een vurige muur zijn rondom, en heerlijkheid binnen in haar."
De realiteit van deze woorden zal blijken na het duizendjarig rijk tijdens de laatste opstand van de mensheid.Wanneer de volken weer optrekken naar Jeruzalem en het omsingelen, zal er vuur uit de hemel komen en hen verteren (Opb. 20:9).

Het huis van David (vs. 7-9)

Een belangrijk gegeven in dit gedeelte is de vermelding van het huis van David. Allereerst wordt er in vers 7 gezegd dat dit huis bij de verlossing door Christus' wederkomst pas als laatste verlost wordt, zodat er geen reden tot hoogmoed is. Dit handelen van de HERE ziet uiteraard terug op de tijd van de koningen, waarin door de goddeloosheid van de koninklijke nakomelingen van David het land te gronde raakte en in ballingschap gevoerd werd. Om de dan door de HERE aangestelde machthebbers in Israël hieraan te herinneren verlost Hij hen als laatste. 
Toch wordt er ook iets positiefs met de vermelding van het huis van David aangeduid. Zo staat in vers 8 dat wie zal struikelen zal zijn als David. Zoals de HERE David in al zijn tegenslag steunde, zo zal dat ook voor de gelovigen in die tijd zijn. De HERE zal hen bewaren en beschermen, juist door het huis van David dat Hij altijd beschermde. Want het huis van David zal voor Jeruzalem zijn als God Zelf in de gedaante van de Engel des HEREN. Wij zouden kunnen stellen dat hier gewezen wordt op de heerschappij van de Messias, Die Zelf, naar het vlees, uit het huis van David voortkomt en het in die tijd zal aanvoeren: "…als vliegende vogels, zo zal de HERE der heerscharen Jeruzalem beschutten, beschuttend redden en sparend bevrijden" (Jes. 31:5).

Een rouwklacht (vs. 10)

Samen met de verlossing van Jeruzalem vindt een gebeuren plaats dat reeds een voorvervulling kende ten tijde van het pinksterfeest in Handelingen 2. De HERE zal de Geest der genade over de (nog overige) inwoners van Jeruzalem uitgieten. Deze geest der genade zal in eerste instantie een rouwklacht teweegbrengen. Israël zal zien wie zij verworpen hebben en aan het kruis lieten nagelen. Deze inkeer is in geringe mate reeds in Handelingen 2 terug te vinden. Daar zijn de mannen uit Jeruzalem diep getroffen na de toespraak van Petrus en vragen zich af wat zij moeten doen. 
Uiteindelijk heeft dit begin van Israëls bekering niet doorgezet en werd Israëls heilsbediening tot op de dag van vandaag uitgesteld. Als Israël collectief de Messias had aangenomen, dan was Hij zeker eerder teruggekeerd. Deze verwachting is door het hele boek Handelingen heen terug te vinden. Met het eindigen van het boek Handelingen, eindigt ook de verwachting van een spoedige wederkomst van Christus.
Dit vers uit Zacharia toont overigens niet alleen een belangrijk heilsgegeven, maar bepaalt de gelovige ook bij een belangrijk praktisch punt ten aanzien van de werking van Gods Geest. Deze wekt niet alleen vreugde op in het hart van de gelovige, maar daarvoor ook vaak rouw en verdriet om de zonde. Daarbij kan zonde als een breed begrip worden beschouwd. Zonde in de zin van verkeerd doen, maar ook in de zin van het verwijderd zijn van Gods nabijheid. De gelovige die, door de Geest geleid, Gods Woord gaat verstaan, kan naast vreugde ook verdriet krijgen. Hij kan in toenemende mate gaan worstelen met zijn eigen tekortkomingen en ook met het gemis van het in Gods heerlijkheid kunnen verkeren. Of zoals in Prediker 1:18 staat: "Want in veel wijsheid ligt veel verdriet, en als iemand kennis vermeerdert, vermeerdert hij smart." 

Hadadrimmon in het dal van Meggido (vs. 11)

De rouwklacht van Israël zal zo groot zijn als die van Hadadrimmon in het dal Megiddo. Om enig besef te krijgen van de omvang van de rouwklacht, is het van belang te weten wat de rouw van Hadadrimmon in het dal van Megiddo was. Dit valt niet eenvoudig te bepalen. Waarschijnlijk wordt hier gedoeld op de rouw om koning Josia, die dan in Hadadrimmon plaats gevonden moet hebben. We gaan er daarbij wel vanuit dat Hadadrimmon dan gelegen moet hebben in het dal van Megiddo. In dit dal van Megiddo werd Josia met een pijl doorstoken tijdens zijn strijd tegen de koning van Egypte. Uiteindelijk stierf hij aan deze verwondingen toen hij aankwam in Jeruzalem (2 Kron. 35:20-24). 
Hierop volgend zong de profeet Jeremia een klaagzang, waar de volgende veelbetekende woorden over staan opgetekend: "En Jeremia zong een klaagzang op Josia, en al de zangers en zangeressen gewaagden van Josia in hun klaagzangen, tot heden toe. Zij maakten hiervan een vaste gewoonte in Israël…" (2 Kron. 35:25).
Deze woorden zouden de rouwklacht van Hadadrimmon in het dal van Megiddo kunnen zijn.

Een klaagzang van alle geslachten (vs. 12-14)

Waar de dood van Josia generaties lang werd beklaagd, zo zal dit uiteindelijk in zekere zin ook gelden voor de dood van de Messias, zo valt te lezen in het vervolg van hoofdstuk 12. De nakomelingen van David, Natan, Levi en Simi zullen een rouwklacht aanheffen over Hem die zij doorstoken hebben. De vraag is echter waarom juist de geslachten van deze mensen genoemd worden. Nu, in deze namen vinden wij een verwijzing naar de koningsklasse en de priesterklasse. David en zijn zoon Natan waren van koninklijke en Levi en zijn kleinzoon Simi van priesterlijke afkomst. De hele machtsvertegenwoordiging in Israël, vader en zoon, grootvader en kleinzoon, zij en hun vrouwen zouden allen rouwen om wat hun voorvaderen de beloofde Messias hebben aangedaan. Hun rouw zal afzonderlijk zijn, dat wil zeggen dat zij ieder persoonlijk de verantwoordelijkheid voor hun zonden op zich zullen nemen.
Hoofdstuk 12 eindigt met deze woorden. Maar het is in dit verband goed om met de eerste verzen van hoofdstuk 13 dit artikel af te sluiten. Deze tonen dat het niet bij zondebesef en berouw blijft. De HERE zal namelijk eens alle zonden wegnemen. Het huis van David en de inwoners van Jeruzalem zullen door hun priesterkoning ontzondigd en rein gemaakt worden:

"Te dien dage zal er een bron ontsloten zijn voor het huis van David en voor de inwoners van Jeruzalem ter ontzondiging en reiniging."

Deel deze pagina via

Darwin

Darwin: een aanhanger van Johannes van Helmond?Johannes van Helmond leefde rond begin 1600 en schreef een recept voor het maken van muizen: als je oude lappen en graan in een vat stopt en wegzet op een zolder of in een schuur, dan zullen na verloop van tijd vanzelf muizen ontstaan. Het was een wetenschappelijk experiment en herhaalbaar met telkens hetzelfde resultaat. Ook vandaag de dag kan je hetzelfde experiment herhalen met nog steeds dezelfde resultaten.  Het was Louis Pasteur die drie eeuwen later, aan het einde van de 19e eeuw, aantoonde dat het spontaan ontstaan van muizen (en leven), onzin was... totdat de evolutietheorie de kop op stak, met haar bewering dat in een ver verleden spontaan leven ontstaan is uit een levensloze massa... Ik denk dat Darwin een aanhanger was van Johannes van Helmond ... ;) (overgenomen uit Bijbelvast onderwijs)                       

Even een vraag

Fake nieuws:

Volg ons via twitter @egkaleo

Amen

Veel bijbelstudies op onze site
komen van bijbelmagazine Amen.
Meer weten over dit unieke blad
kijk dan snel op amen.nl

Abonneer je op Amen

Agenda

  • 26 11 2017
    samenkomst met Hoite Slagter 10:00 tot 11:30

Recente preken

Loading Player...

Vers van de dag

Psalmen 145:3-3
Gimel. De HEERE is groot en zeer te prijzen, en Zijn grootheid is ondoorgrondelijk.