Je bent zondiger en gebrekkiger dan je ooit kunt geloven; en tegelijk: je bent meer geaccepteerd en bemind dan je ooit hebt durven hopen.
Tim Keller, Redeemer Presbyterian Church, New York

Gebruikerswaardering: 0 / 5

Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 
Alles is ijdelheid! (8) – De (harde) realiteit I (Pred. 7:1-14) uit: AMEN 95, pagina 22 Sebastiaan de Graaf
Wie aan iemand vraagt wat de zin van zijn leven is, krijgt dikwijls een zucht of afwerende reactie. Men vindt zo´n vraag vaak lastig: ´Laten wij het liever luchtig houden…´. En dat is precies wat het woord 'ijdelheid' of ´vluchtigheid´ in het boek Prediker betekent, maar dan niet in positieve zin…


Wanneer je vervolgens tegen mensen begint over de onvoorspelbaarheid en eindigheid van het leven, dan is de reactie vaak nog meer afhoudend. Denken aan zaken als tegenslag of dood wordt afgedaan als negatief, pessimistisch en fatalistisch. Ondertussen hebben wij echter wel allerlei verzekeringen afgesloten tegen de gevolgen ziekte en overlijden. Blijkbaar hebben wij bij het opbergen van onze polis gelijk het idee van lijden en andere ellende in onze polismap weggestopt. Wat je niet ziet, is er immers niet en komt daardoor wellicht in het geheel niet op ons levenspad. Totdat vroeg of laat het onheil ons wel treft en wij er door overvallen worden. Of zoals in Prediker 9:12 staat: "Want de mens weet ook zijn tijd niet, evenmin als de vissen die in een boosaardig net worden gevangen, en als de vogels die gevangen worden met de strik. Net als zij worden de mensenkinderen op een kwaad ogenblik verstrikt, wanneer dat hun plotseling overvalt."

In het gedeelte dat wij in dit artikel behandelen, schuwt Prediker niet om ons met een aantal harde waarheden te confronteren. Veel gelovigen slaan dit gedeelte liever over. Zij vinden het pessimistisch en negatief. Toch maakt het deel uit van Gods Woord, waarin ons belangrijke levenswaarheden geleerd worden. Natuurlijk is de boodschap enerzijds hard, maar anderzijds worden wij toch ook geconfronteerd met de noodzaak en de realiteit van het verlossende werk van Jezus Christus.

Wie echter liever zijn hoofd in het zand steekt en in het sprookje wil blijven geloven dat hij hier op aarde lang en gelukkig zal leven, kan nu beter stoppen met lezen en verder gaan met zichzelf voor de gek te houden. Wie echter de wil en de durf heeft om de confrontatie met de werkelijkheid aan te gaan, doet er goed aan verder te lezen, om zo via kruis, graf en opstanding in de heerlijkheid van Gods hemel te belanden!

"Een goede naam is beter dan goede olie…" (Pred. 7:1a)

Wat wordt hier nu mee bedoeld? Met het begrip 'goede olie' wordt gewezen op het zalven van koning en hogepriester. Beiden waren door God gegeven ordinanties. Het zalven van koning en hogepriester gaf hen beiden een afgezonderde positie ten opzichte van het volk. Maar waren zij hiermee ook beter dan het volk? Dit was niet altijd het geval. Denk maar aan Saul, Israëls eerste koning, die uiteindelijk bij God uit de gratie raakte. En denk eveneens aan hogepriester Kajafas. Mede door hem werd Jezus Christus gekruisigd. Gezalfd zijn met goede olie was nog geen garantie voor het verwerven van een goede naam.

Een 'goede naam' wijst op diegene die Gods wet nauwgezet onderhoudt en er naar leeft. Het is de man die naar Gods wil leeft en die wij ook in Psalm 1 tegen komen.
Het probleem is echter dat geen enkel mens aan deze voorwaarde voldoet. In principe is er dus niemand die een goede naam heeft. Dit is ook wat bevestigd wordt in Prediker 6, vers 10: "Wat iemand ook is, zijn naam is al genoemd. Het is bekend dat hij een mens is. Hij kan niet in het geding treden tegen Hem Die sterker is dan hij."
Over wie wordt hier gesproken? Het woord 'mens' is de vertaling van 'adam', en dat maakt het gelijk een stuk duidelijker. Het gaat hier over Adam. En wat is er aan de hand met Adam? God riep hem na de zonde in de Hof van Eden. Dit ´roepen´ van God in de Hof ven Eden (Gen. 3:9), is hetzelfde als het 'noemen' in Prediker 6:10. Wat gebeurde er vervolgens met Adam? Hij hield geen stand tegenover de HERE. En wat voor Adam geldt, geldt ook voor ons als zijn nakomelingen. Of, zoals beschreven staat in Romeinen 5, vers 12: "Daarom, zoals door één mens de zonde in de wereld is gekomen, en door de zonde de dood, en zo de dood over alle mensen is gekomen, in wie allen gezondigd hebben." Dat is de harde realiteit. Naar de mens gesproken moeten wij het daar mee doen. Niemand van ons heeft van zichzelf een goede naam.

Gelukkig is het in deze schepping niet afhankelijk van de mens, maar van God, Die door Zijn Heilsplan redding biedt. Dat vinden wij ook terug in Prediker 6:10. Er wordt gesproken over iemand die reeds lang geleden geroepen was en die ´Adam´ is.
Deze Adam is niemand anders dan Christus, Die de laatste Adam genoemd wordt: "Zo staat er ook geschreven: De eerste mens, Adam, is geworden tot een levend wezen, de laatste Adam tot een levendmakende Geest." en "Want zoals allen in Adam sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden" (1 Kor. 15:45+22).

Maar hoe zit het dan met onze 'goede naam´? Ook daar geeft de Bijbel antwoord op. Wij kunnen op grond van eigen inspanning en verdiensten niet die naam verwerven die God tot tevredenheid stemt. Wij mogen ons echter wel gerechtvaardigd weten in Christus. Wie gelooft, draagt daarom voortaan Christus' Naam, totdat hij in de (uit)opstanding komt en naast een nieuw verheerlijkt lichaam, ook een nieuwe naam ontvangt. Deze naam hoort bij het huisgezin waartoe hij vanaf dan fysiek behoort, namelijk het huisgezin van God (Efe. 2:19).

"…de dag van de dood is beter dan de dag dat iemand geboren wordt" (Pred. 7:1b).

Dit is nu typisch zo'n tekst waar de meeste mensen/gelovigen liever met een grote boog om heen lopen. Wat moeten wij nu met deze tekst aan? Wat Prediker met dit vers wil aantonen, is dat het bestaan van de mens op zich doelloos en vruchteloos is. Hij beschrijft dit ook in een eerdere passage van zijn boek. Hier gaat het bovendien over mensen die het 'goed' getroffen hebben in het leven, namelijk rijken: "Zoals hij voortgekomen is uit de buik van zijn moeder, zal hij naakt terugkeren om te gaan zoals hij kwam. Hij zal van zijn zwoegen niets meenemen dat hij met zijn hand kan dragen. Daarom is ook dit een ziek makend kwaad: op geheel dezelfde wijze als hij gekomen is, gaat hij heen. Welk voordeel heeft hij, dat hij zwoegt voor de wind? Al zijn dagen eet hij ook in duisternis. Veel verdriet had hij, bovendien had hij zijn ziekte en ergernis" (Pred. 5:14-16).
Wat een mens ook doet tijdens zijn verblijf op aarde, het is tijdelijk en vergankelijk. Als hij sterft blijft er niets van over. In dat opzicht, stelt Prediker, is de dag van je dood beter dan de dag van je geboorte. Op de dag van je geboorte heb je het zinloze en vruchteloze leven nog voor de boeg. Op de dag van je dood, word je er als het ware van verlost. Soortgelijke woorden lezen we ook in Prediker 4, vers 2-3: "Daarom prees ik de doden, die al gestorven waren, boven de levenden, omdat die nog steeds in leven zijn. Beter af dan die beiden is wie er nog nooit is geweest, die niet gezien heeft het kwaaddoen dat er onder de zon plaatsvindt."
Wat Prediker hier schrijft, heeft ook verwantschap met waar wij het net over hadden, namelijk Adam. Is het niet zo dat God in de Hof van Eden tegen Adam zei dat de aardbodem omwille van hem vervloekt was en hij in het zweet van zijn gezicht zijn brood zou eten? En dat hij uiteindelijk weer zou terugkeren tot waar hij uit genomen was, namelijk stof? Nu, wat voor Adam geldt, geldt ook voor ons en wat Prediker schrijft is niets anders dan universele waarheid vanaf Adam.
Maar waarom zien, begrijpen en ervaren heel veel mensen, waaronder ook gelovigen, dit niet? Dit komt omdat zij niet nadenken en de realiteit van het leven niet onder ogen willen zien. Dit klinkt bot, maar het is wel zo. Want waarom reageren veel mensen zo afwerend op vragen over zingeving, lijden en sterven? Dit is niets anders dan vlucht en ontkenningsgedrag.

Wat moeten wij verder met deze harde realiteit? Gelukkig biedt de Bijbel ook hier perspectief. In Romeinen 8 zien wij de bevestiging dat de schepping aan de zinloosheid onderworpen is, maar dat er vervolgens ook hoop is op bevrijding en heerlijkheid voor de kinderen van God. Deze vervloekte en vervallen schepping zal uiteindelijk een nieuwe en heerlijke realiteit voortbrengen, zoals een barende vrouw nieuw leven voortbrengt. En ook hier kunnen wij de koppeling naar Adam maken, wel te verstaan de laatste Adam, over Wie gezegd wordt dat Hij de tweede mens is: "De eerste mens is uit de aarde, stoffelijk; de tweede mens is de Heere uit de hemel. Zoals de stoffelijke is, zo zijn ook de stoffelijke mensen, en zoals de Hemelse is, zo zijn ook de hemelse mensen. En zoals wij het beeld van de stoffelijke gedragen hebben, zo zullen wij ook het beeld van de Hemelse dragen" (1 Kor. 15:47-49).

We gaan nu nog even terug naar de tekst waar het allemaal mee begon: "…de dag van de dood is beter dan de dag dat iemand geboren wordt." In welk perspectief moeten wij dit plaatsen?
In de eerste plaats is het voor de gelovigen zo dat zij bij het sterven hun aardse tocht op weg naar het hemels Vaderland voltooid hebben. Zij hebben de tijd van voorbereiding op de heerlijkheid voltooid en staan als het ware aan de grens van het Beloofde Land. Wie echter nog maar net geboren is, heeft dat pad nog te gaan, dat niet alleen blijdschap brengt, maar vaker nog beproeving en verdriet.
In de tweede plaats wordt met het sterven de belemmering afgelegd om Gods Koninkrijk binnen te gaan. Immers in 1 Korinthiërs 15:50 lezen wij dat vlees en bloed het Koninkrijk van God niet kunnen beërven. Voor wie net geboren is, en dus net aan zijn aardse bestaan begonnen is, betekent dit dat de hemel in principe nog (relatief) ver weg is.
In de derde plaats valt met het sterven van vlees en bloed de drager van de zonde weg, namelijk het lichaam van vlees en bloed. Iedere gelovige worstelt (als het goed is) tijdens zijn leven met de zonde, ook al weet hij dat hij daarvan vrijgemaakt is in Christus. De worstelende gelovige verlangt er dan ook naar verlost te worden van de zonde. Of zoals Paulus in Romeinen 7 schrijft: "Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood?" Wie sterft, legt dit zondige lichaam van vlees en bloed af. Wie echter geboren wordt, begint er nog maar net in te leven.

Wat betekent dit nu voor de realiteit van ons leven? Mogen wij nu niet meer blij zijn met een geboorte en moeten wij al feestend onze dierbaren begraven? Nee, zeker niet. Zolang wij hier op aarde leven, zijn wij mensen van vlees en bloed met de behoeften en gevoelens die daarbij horen. Wij hebben er behoefte aan om in liefde leven voort te brengen en dat te koesteren. En wanneer een geliefde sterft dan voelen wij ons eenzaam en verlaten. Die gevoelens hoeven wij niet te verloochenen. Sterker nog, het is juist belangrijk dat wij ze accepteren. Ze horen bij dit leven en leren dat dit leven ons uiteindelijk niet datgene kan brengen wat wij werkelijk nodig hebben. En wat hebben wij nodig? Dat wij thuis komen bij onze Schepper en hemelse Vader. Dat geldt voor iedereen, of men nu wel of niet geconfronteerd wil worden met de realiteit van dit leven.

"Het is beter naar een klaaghuis te gaan dan naar een huis te gaan waar een feestmaal gehouden wordt. Dat is immers het einde van iedere mens, en de levende moet het ter harte nemen" (Pred. 7:2).

In het licht van het voorgaande vers dat wij hebben besproken, hoeft hierover weinig meer gezegd te worden. Feestvreugde is op aarde een betrekkelijk gegeven. Wie naar een bruiloft gaat, weet niet of het huwelijk stand zal houden en voor hoe lang. Aards plezier is voor het moment en kan zo voorbijgaan. Ik herinner mij hoe een studiegenoot de dag na zijn huwelijk hoorde dat zijn beste vriend op de terugweg van de bruiloft bij een tragisch ongeval om het leven was gekomen. Hij liet een jonge weduwe achter. En wanneer de dood geen einde maakt aan het huwelijk, dan is het de mens zelf wel door echtscheiding of door een verziekte sfeer binnen de relatie.

Wat betreft begrafenissen ligt het anders. Als iemand gestorven is, dan is dit onherroepelijk: dood is dood. Daar kun je niets anders van maken. De nabestaanden zullen moeten leren leven met de opengevallen plek en het verdriet dat daarbij hoort en dat nooit echt over gaat. Het sterven van iemand bepaalt je ook bij je eigen onherroepelijke einde. Bij een bruiloft is dit niet zo. Wie niet getrouwd is, heeft niet de zekerheid dat hij zal trouwen. Wie al getrouwd is, heeft het reeds achter zich liggen. Bij het begraven van een medemens weet iedere aanwezige één ding zeker: bij hem zal dit ook gaan gebeuren. En wie al gestorven is, kan geen begrafenis bezoeken.

Dit gegeven moet mensen aan het denken zetten. En dat is ook precies wat Prediker bedoelt met dit vers. Een begrafenis is een moment van bezinning waarin de mens zich dient af te vragen: waar ben ik mee bezig, waar ben ik naar toe op weg en wat is de eindbestemming van mijn leven? Het is een moment om stil te worden en te beseffen dat de mens slechts door Jezus Christus en in afhankelijkheid van God tot zijn werkelijke bestemming kan komen.

Een treurig leven?

Als wij dit zo allemaal lezen, zouden wij denken dat het leven van een oprechte gelovige enkel treurigheid is en hij niet kan en mag genieten van geboorten, huwelijken en andere festiviteiten. Het tegendeel is waar. Prediker leert ons namelijk ook dat wij mogen genieten van het goede dat we meemaken. Ons leven hoeft echt niet één groot tranendal te zijn. Soms is het dit echter wel. De balans hierin vinden is moeilijk voor ons mensen. Vaak slaan wij door van het ene in het andere en omgekeerd. Het vraagt wijsheid om hier een goede weg in te vinden. Deze wijsheid mogen wij ontwikkelen door het bestuderen van de Bijbel, ontvangen van geestelijke kracht en het opdoen van levenservaring. Het hoort allemaal bij het leven als tijd van voorbereiding op een leven in Gods heerlijke nabijheid!

"Geniet op de dag van voorspoed van het goede, maar bedenk op de dag van tegenspoed dat God zowel de ene als de andere gemaakt heeft, zodat de mens niet kan doorgronden iets wat na hem zijn zal" (Pred. 7:14).

Deel deze pagina via

Darwin

Darwin: een aanhanger van Johannes van Helmond?Johannes van Helmond leefde rond begin 1600 en schreef een recept voor het maken van muizen: als je oude lappen en graan in een vat stopt en wegzet op een zolder of in een schuur, dan zullen na verloop van tijd vanzelf muizen ontstaan. Het was een wetenschappelijk experiment en herhaalbaar met telkens hetzelfde resultaat. Ook vandaag de dag kan je hetzelfde experiment herhalen met nog steeds dezelfde resultaten.  Het was Louis Pasteur die drie eeuwen later, aan het einde van de 19e eeuw, aantoonde dat het spontaan ontstaan van muizen (en leven), onzin was... totdat de evolutietheorie de kop op stak, met haar bewering dat in een ver verleden spontaan leven ontstaan is uit een levensloze massa... Ik denk dat Darwin een aanhanger was van Johannes van Helmond ... ;) (overgenomen uit Bijbelvast onderwijs)                       

Even een vraag

De genderhype:

Volg ons via twitter @egkaleo

Amen

Veel bijbelstudies op onze site
komen van bijbelmagazine Amen.
Meer weten over dit unieke blad
kijk dan snel op amen.nl

Abonneer je op Amen

Agenda

  • 01 10 2017
    samenkomst met Oby Vossema 10:00 tot 11:30

Recente preken

Loading Player...

Vers van de dag

Psalmen 90:12-12
Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen.