Vaak werd een goede raad beter gegeven in de vorm van een kwinkslag dan van een ernstige onderrichting

Gebruikerswaardering: 0 / 5

Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 

Alles is ijdelheid! – Deel 13 – Neem het leven zoals het is (Pred. 9:1-12)

uit: AMEN 100, pagina 14

Sebastiaan de Graaf
Het boek Prediker spreekt over het leven ´onder de zon´ en leert ons dat de mens slechts tot zijn doel kan komen in afhankelijkheid van God.

Op Discovery Channel is momenteel de serie 'Coal' te zien waarin mannen gevolgd worden die diep in de bergen van West-Virginia (VS) hun leven riskeren met het delven van kolen. In gangen van amper een meter hoog en in diepe duisternis verzamelen zij de brandstof die belangrijk is voor de Amerikaanse industrie. De beloning voor hun werk is hoog, maar er zijn ook gevaren door instortende schachten, overstromingen en gasexplosies. In één van de afleveringen was te zien, dat één van de mijnwerkers van huis ging en zijn vrouw en dochtertje gedag zei. Het was belangrijk om altijd goed afscheid te nemen, omdat je nooit weet of je weer thuis komt, was zijn commentaar.
De meesten van ons hebben niet zo'n zwaar en risicovol beroep als deze mijnwerkers. Maar ondanks dat hebben ook wij nooit de garantie dat als wij van huis gaan, we ook weer veilig terugkeren. Tijd en toeval kan ons soms op ongewenste momenten genadeloos treffen. Hoe staan wij daar tegenover en hoe gaan we daar mee om? Daar staan we met dit gedeelte in Prediker bij stil.

Wij weten de toekomst niet (vers 1-2)

Hoofdstuk 9 begint met een terugblik op de voorgaande hoofdstukken van Prediker, waarin hij zocht naar wijsheid. Ondanks dat Prediker tot een aantal ontnuchterende conclusies komt over met name het onrecht dat er in de wereld is, weet hij toch de ultieme wijsheid niet te vinden. In Prediker 8:17 komt hij uiteindelijk tot de volgende slotsom: "…toen zag ik al het werk van God, dat de mens niet kan ontdekken, het werk dat onder de zon plaatsvindt. Hoezeer de mens zwoegt bij het zoeken, hij zal het niet ontdekken. Zelfs als de wijze het zegt te weten, zal hij het toch niet kunnen ontdekken”. 

Vanuit deze terugblik komt Prediker vervolgens in hoofstuk 9:1 met nog een conclusie: "Na dit alles te hebben overwogen, heb ik duidelijk ingezien dat de rechtvaardigen en de wijzen en hun werken in de hand van God zijn" (Willibrord Vertaling & HSV). Deze conclusie lijkt haaks te staan op datgene wat wij later in vers 11 lezen, namelijk dat tijd en toeval allen treft. Als wij deze beide teksten in het verlengde van elkaar zien, kunnen wij niet anders concluderen dan dat God alles in de hand heeft, maar daarbij naar willekeur handelt. Het is echter maar de vraag of vers 1 direct betrekking heeft op Gods sturing ten aanzien van alles wat tijdens ons leven onder de zon gebeurt. Wij dienen dit vers veel eerder te plaatsen vanuit het perspectief van Prediker 12, vers 14: "God zal namelijk elke daad in het gericht brengen, met alles wat verborgen is, hetzij goed, hetzij kwaad”. Wij zouden kunnen zeggen dat in vers 1 bedoeld wordt dat de mens overgeleverd is aan Gods (eind)oordeel. Vanuit dat oogpunt is het voor hem dan ook raadzaam om onder alle omstandigheden de raad van Prediker 12:13 in acht te nemen: "Vrees God, en houd u aan Zijn geboden, want dit geldt voor alle mensen”. 

Wanneer wij vers 1 verder lezen, vinden wij nog een conclusie: "Ook liefde, ook haat kent de mens niet: alles ligt voor hem”. Met deze woorden bedoelt Prediker dat de mens niet in de toekomst kan kijken. Hij weet niet of hem liefde of haat te wachten staat. Eén ding weet de mens wel: dat hij op enig moment zal sterven. Dat is dan ook wat Prediker ons in vers 2 wil leren: "Eén en hetzelfde overkomt allen als alle anderen: de rechtvaardige en de goddeloze, de goede en de reine en de onreine, wie offert en wie niet offert, wie goed is vergaat het net als de zondaar, wie zweert net als wie bevreesd is een eed af te leggen”. Wat je ook doet in je leven, of het goed is of verkeerd, sterven zul je. Waar er bij God geen aanzien des persoons is (Rom. 2:11) daar is dit bij de dood ook niet het geval (Rom. 5:12).

Tijd en toeval treft ons allen (vers 11-12)

Wij nemen een sprong vooruit in het hoofdstuk. In het verlengde van vers 1 en 2 kunnen wij vers 11 en 12 plaatsen. In vers 11 wordt met name het onrecht van het leven beschreven, wat dan vervolgens gekoppeld wordt aan de onvoorspelbaarheid ervan: "Opnieuw zag ik onder de zon dat niet de snellen de wedloop winnen, en ook niet de helden de strijd, ook dat niet de wijzen brood hebben, en ook niet de verstandigen rijkdom, en evenmin de kenners gunst. Tijd en toeval overkomt hun immers allen”. 

Ik denk dat wij de boodschap van vers 11 herkennen in het leven. Je hebt mensen die in het leven echt hun best doen, altijd klaar staan voor anderen en ook het inzicht en de wijsheid hebben om grootse dingen te doen, maar altijd miskend en ondergewaardeerd blijven. En je hebt mensen die egoïstisch, dom, lui en achterbaks zijn en toch helemaal maken in het leven. Een voorbeeld van een dergelijke situatie treffen wij in vers 13-15 aan waar het gaat over een arme, wijze man die een stad had kunnen redden, maar over het hoofd gezien wordt. Is overigens het grootste voorbeeld hiervan niet de Heere Jezus tijdens Zijn aardse wandel? Dan denk ik gelijk aan wat in Johannes 1:10-11 staat: "Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem geworden, en de wereld heeft Hem niet gekend. Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen". 

Misschien bent u ook wel zo iemand die zich mislukt en ondergewaardeerd voelt. Misschien ziet niemand u staan en betekent u helemaal niets. Misschien zit het u ook gewoon allemaal tegen en bestaat het leven uit teleurstellingen en gebroken dromen. Dat is verdrietig en vaak ook moeilijk. Maar er is troost. Over de Korintiërs lezen wij dat zij niet veel wijzen naar het vlees, niet veel machtigen en niet veel aanzienlijke waren (1 Kor. 1:26). Toch waren zij door God uitverkoren en wachtte hen zodoende een heerlijke hemelse toekomst in de opstanding. Ook u mag weten dat als u gelooft, u in Christus uitverkoren bent en dat u een heerlijke hemelse toekomst wacht. Uw leven is in Gods hand, dat wil zeggen: God komt dwars door de dood tot Zijn doel met uw leven. De vernedering van dit leven zal dan vervagen en overgaan in glorie en heerlijkheid. 

Vers 11 sluit af met: "Tijd en toeval overkomen hun immers allen …”. Deze woorden vormen een inleiding op vers 12 en hebben onder andere hun praktische uitwerking in Prediker 10, vers 14: "De dwaas gebruikt veel woorden, maar de mens weet niet wat er gebeuren zal. Wat er na hem zal gebeuren, wie zal het hem bekend maken?" De dwaas bouwt zijn toekomst op dit leven en kijkt niet verder dan wat onder de zon te vinden is. Hij leeft uit zijn eigen wijsheid en uit zijn eigen besef, in plaats van dat hij in stilte luistert naar en denkt aan wat God tot hem te zeggen heeft. Hij is als de rijke dwaas uit Lukas 12 die veel goederen verzamelt om deze zelf gedurende vele jaren te verteren. En wat gebeurt er dan? "Maar God zei tegen hem: Dwaas! In deze nacht zal men uw ziel van u opeisen; en wat u gereedgemaakt hebt, voor wie zal het zijn? Zo is het met hem die voor zichzelf schatten verzamelt en niet rijk is in God” (Luk. 12:20-21). De vraag aan ons is: Waar zijn wij rijk in, ook nu het economisch minder gaat in Nederland? Waar zien wij op? Op de zichtbare of op de onzichtbare zaken? Of zoals Paulus in 2 Korinthiërs 4:18 zegt: "Wij houden onze ogen immers niet gericht op de dingen die men ziet, maar op de dingen die men niet ziet; want de dingen die men ziet, zijn van het ogenblik, maar de dingen die men niet ziet, zijn eeuwig …”. 

Dat het verraderlijk is om je hoop op een aardse toekomst te vestigen, maakt ook vers 12 duidelijk: "Want de mens weet ook zijn tijd niet, evenmin als de vissen die in een boosaardig net worden gevangen, en als de vogels die gevangen worden met de strik. Net als zij worden de mensenkinderen op een kwaad ogenblik verstrikt, wanneer dat hun plotseling overvalt …”. 
Voor ons als mensen, en zelfs ook als gelovigen, is het soms moeilijk om dit gegeven te accepteren en hiermee om te gaan. Veel liever zouden wij ons leven willen kunnen beheersen. Of anders, dat het in ieder geval helemaal van bovenaf geregisseerd en bestuurd wordt. Waarbij alles wat gebeurt een doel heeft en niet voor niets gebeurt. Het tegendeel is waar. God doet weliswaar alle dingen ten goede meewerken voor wie Hem liefhebben (Rom. 8:28), maar dat wil niet zeggen dat Hij alles bestuurt en leidt. God heeft in deze tijd het wereldgebeuren in zekere zin los gelaten en zodoende gebeurt soms wat niet gebeuren zou moeten en andersom. Dit alles doet God met een doel: dat wij leren dat niets maakbaar en realiseerbaar is buiten God om en dat wij slechts tot ons doel kunnen komen wanneer wij ons aan God onderwerpen en ons afhankelijk van Hem opstellen. Bemoeit God Zich dan helemaal niet met ons? Jawel, Hij bemoeit Zich wel met ons, maar slechts op geestelijk vlak, zoals Filippenzen 4:7 ons ook laat zien: "En de vrede van God, die alle begrip te boven gaat, zal uw harten en gedachten bewaken in Christus Jezus”.

Een triest bestaan? (vers 3-6)

Wij gaan weer een stap terug in Prediker 9. In vers 3 wordt verder ingegaan op het ene lot dat ons allemaal treft, namelijk de dood. Waar het leven van de mens niet bepaald rooskleurig eindigt in de dood, daar is het leven zelf ook vaak een triest gebeuren: "Dit is een kwaad bij alles wat er onder de zon plaatsvindt: dat allen een en hetzelfde overkomt. Ook is het hart van de mensenkinderen vol kwaad. Hun leven is vervuld van onverstand in hun hart, en daarna gaan zij naar de doden”. 

Prediker treurt dat er ten aanzien van het sterven geen onderscheid is tussen de mensen. Zowel de rechtvaardige als de goddeloze sterft. Ook maakt het daarbij niet uit of je naar de tempel gaat om te offeren of niet (vs. 2). Het leven is ook een triest gebeuren, omdat de mensen vaak veel verkeerde bedoelingen hebben en van daaruit zondigen. Uiteindelijk blijft de mens tot aan zijn dood vervuld van dwaasheid en daarna gaat het naar de doden. Wellicht blijft de mens bij zijn verkeerde denken en gedrag door wat wij eerder in Prediker 8:11 hebben behandeld: "Omdat het vonnis over een slechte daad niet snel geveld wordt, daarom blijft het hart van de mensenkinderen in hen vervuld van kwaad doen”. 

Waar het leven van de mens een betreurenswaardig gebeuren is, daar geldt dit nog meer voor de dood. Alhoewel in sommige situaties het tegenovergestelde waar is, zoals wij in Prediker 4:2 lezen: "Daarom prees ik de doden, die al gestorven waren, boven de levenden…". Hoe het ook is, Prediker komt in hoofdstuk 9:4 tot de volgende opmerkelijke uitspraak: "Want wie nog bij al de levenden mag behoren, heeft hoop. Een levende hond is namelijk beter dan een dode leeuw”. 

In het Midden-Oosten was de hond één van de meest verachtelijke dieren. Wij zien dat beeldend beschreven bij de latere ondergang van Izebel die door de honden opgepeuzeld wordt, waarna slechts haar handpalmen, voeten en schedel overblijven (2 Kon. 9). De leeuw daarentegen stond bekend om zijn kracht en trots, zoals in Spreuken 30:30 staat: "…de leeuw, de held onder de dieren, die voor niets of niemand terugdeinst…". Toch wordt Israël gered door een leeuw die Zich als een Lam laat slachten (Openb. 5:5-6). Maar goed, voor wie de zaken van onder de zon beschouwt, is een levende verachtelijke beter af dan een dode held. 

Waarom dit zo is, lezen wij in vers 5: "Want de levenden weten dat zij sterven zullen, maar de doden weten helemaal niets. Zij hebben ook geen loon meer, maar hun nagedachtenis is vergeten”. Eigenlijk zegt Prediker hier dat het leven ten opzichte van de dood de betere van twee kwaden is. Wie dood is heeft helemaal niets; wie leeft heeft tenminste nog iets: "Ook hun liefde, ook hun haat, ook hun afgunst is al vergaan. Zij hebben geen deel meer, voor eeuwig, aan alles wat er onder de zon plaatsvindt” (vs. 6). 

In de dood is niets meer, zelfs geen besef van God, zoals ook Psalm 6:5 laat zien: "Want in de dood is er geen gedachtenis aan U, wie zal U loven in het graf?" Wie gestorven is, heeft geen deel aan wat voor levensvorm dan ook, totdat deze huidige eeuw (Hebr. ´olam´) voleindigd is en bij Christus' komst de opstanding volgt. Er bestaat geen schimmenrijk, dodenrijk of vagevuur waar wij in een soort geestelijke staat verder leven in afwachting van de opstanding. Dood is dood. Het enige mogelijke leven na de dood dat er voor de voleinding van deze eeuw is, betreft de uitopstanding van tussen de doden uit, waarover wij in Filippenzen kunnen lezen. 

Als wij dit allemaal zo horen en lezen, kunnen wij niet anders dan concluderen dat wij als mensen een triest bestaan leiden. Toch is er wel blijdschap en levensvreugde voor de mens te vinden. Dit is dan wel de mens die zich in afhankelijkheid opstelt van de Heere. Hierover lezen wij in het vervolg van Prediker.

Leef voor God en geniet! (vers 7-10)

Vanaf vers 7 t/m 10 wordt ons een geweldig perspectief geboden ten aanzien van ons leven onder de zon. Er is reden om blij te zijn en te genieten. Vers 7 zegt: "Ga uw weg, eet uw brood met blijdschap, drink uw wijn met een vrolijk hart, want God schept al behagen in uw werken”. Voor hem die op God vertrouwt, is er zegen te vinden in dit leven. Ook al merkt de gelovige dit niet altijd direct, God merkt de werken van de gelovige nu al op en heeft er behagen in. Voor ons als gelovigen onder de bediening van de genade gaat dit zelfs nog verder. God heeft namelijk van te voren de noodzakelijke condities gecreëerd, zodat wij in goede werken kunnen wandelen (Efe. 2:10). Dat is iets om vrolijk van te worden en te vieren, zo concludeert Prediker. Wij mogen in blijdschap ons brood eten en onze wijn drinken. Daarbij mogen wij een vrolijk hart hebben! Oftewel: wie voor God leeft, mag gerust genieten, zelfs meer dan wie niet voor God leeft. Een goede maaltijd met een goed glas wijn, in dankbaarheid genoten met een vrolijk hart, laat ons in het klein iets zien van het beste dat nog gaat komen na dit leven. Dit is sowieso beter dan te treuren over datgene wat wij hier opgebouwd hebben en straks in de dood achter moeten laten. Of, zoals Spreuken 17:22 leert: "Een blij hart bevordert de genezing, maar een neerslachtige geest doet de beenderen verdorren”. 

Maar, zullen sommigen nu zeggen, is dit gedeelte niet in conflict met wat in Prediker 7:3-4 staat: "Verdriet is beter dan lachen (…) Het hart van wijzen is in een klaaghuis…"? Nee, want in Prediker 3:4 lezen wij weer: "Er is een tijd om te huilen en een tijd om te lachen”. En waar het dan in onze vreugde om gaat, is de vreugde die wij mogen hebben over wat God ons nu geestelijk en straks fysiek aan zegeningen geeft. Dan is onze blijdschap geen blijdschap van of over onszelf, maar een verblijden in de Heere (Filipp. 4:4). 

Overigens zien wij in de Bijbel op wel meer plaatsen terug dat genieten van het goede van de schepping niet verkeerd is. Zo lezen wij in Ruth 3:7 over Boaz, die toch als godvrezend bekend stond: "Toen Boaz gegeten en gedronken had en zijn hart vrolijk was, kwam hij en ging liggen aan de rand van de korenhoop”. En ten aanzien van de Israëlieten onder het door God gezegende bewind van Salomo lezen wij: "Juda en Israël waren met velen, zo talrijk als de zandkorrels die aan de zee zijn. Zij aten en dronken en waren blij”. Tot slot lezen wij in Psalm 104:14-15 over de HEERE: "Hij brengt voedsel uit de aarde voort: wijn die het hart van de sterveling verblijdt, olie die zijn gezicht doet glanzen en brood die het hart van de sterveling versterkt”.
Nu, als het leven dan vaak zoveel ellende over ons heen brengt, laten wij dan toch ook vooral genieten van het goede dat het ook te bieden heeft en dat in de schepping door God gegeven is. In dat opzicht is het aan te bevelen om geregeld heerlijk te eten en daarbij te genieten van een goed glas wijn ... 

Naast goed eten wordt ons nog een advies gegeven in vers 8: "Laat uw kleding te allen tijde wit zijn en laat op uw hoofd geen olie ontbreken”. Wij worden hier opgeroepen om onszelf goed te verzorgen. Veel gelovigen vinden het lichaam minder de moeite waard om goed te onderhouden, omdat het ondergeschikt zou zijn aan het geestelijke. Toch behoort ons lichaam ook tot Gods schepping. Daarbij is het verafgoden van ons lichaam waar Paulus het in 1 Timotheüs 2:9 over heeft, iets heel anders dan een goede verzorging. Wij moeten in deze zaken genuanceerd blijven. 

Laten wij nu weer even terug gaan naar de betekenis van vers 8. De witte kleding staat hier tegenover het zwart van de rouw. Maar ook bood de witte kleding verkoeling in het warme Israëlische klimaat. De olie spreekt van goede lichaamsverzorging en staat tegenover de as die rouwenden over zichzelf uitstrooiden. Natuurlijk is in deze tekst ook nog een mooie geestelijke les terug te vinden. Is de witte kleding immers geen symbool van de heerlijkheid die de gelovigen te wachten staat? Zo staat in Openbaring 3:4-5: "…en zij zullen met Mij wandelen in witte kleren, omdat zij het waard zijn. Wie overwint zal bekleed worden met witte kleren en Ik zal zijn naam beslist niet uitwissen uit het boek des levens …". Ook de olie is een beeld van toekomstige zegen. Zo staat in Joël 2:24 ten aanzien van Israëls heerlijke toekomst: "De dorsvloeren zullen vol koren zijn, de perskuipen stromen over van nieuwe wijn en olie”. En wat zien wij nog meer terug in die toekomst? In Jesaja 25:6 staat het volgende, waarbij wij nog even terug grijpen op het eten en drinken uit vers 7: "De HEERE van de legermachten zal op deze berg voor alle volken een feestmaal met uitgelezen gerechten aanrichten, een feestmaal met gerijpte wijnen, met uitgelezen gerechten vol merg, met gezuiverde gerijpte wijnen”. Wat een feest! 

Brood, wijn, witte kleding en olie, het ziet op een heerlijke toekomst. Maar ook is er zinnebeeldig het verlossende werk van Christus in terug te zien. Christus is het Brood des Levens, de wijn ziet op het werk van de Geest in de gelovige, de witte kleding ziet op de vergeving van zonden en de olie op het geloof. Nu, het is goed om van het aardse voedsel te genieten en ons lichaam te verzorgen. Nog beter is het om het geestelijk voedsel tot ons te nemen en aandacht te hebben voor het leven dat wij in Christus hebben. 

Wij gaan nu weer even terug naar de tekst van Prediker 9, vers 9: "Geniet van het leven met de vrouw die u liefhebt, al de dagen van uw vluchtige leven die Hij u gegeven heeft onder de zon, al uw vluchtige dagen. Want dit is uw deel in het leven en bij uw zwoegen waarmee u zwoegt onder de zon”. 

In deze tijd worden wij met nadruk bepaalt bij het celibaat binnen de Rooms-Katholieke Kerk en het branden van begeerte dat van hieruit tot gruwelijke uiting is gekomen in de vorm van kindermisbruik. 
Omdat je geen vrouw mocht, pakte je maar een jongetje, wat vervolgens oogluikend toegelaten werd. Het is waar Paulus in 1 Timotheüs 4:3 al voor waarschuwde toen hij het had over hen die het huwelijk verbieden. Het celibaat is niets anders dan een menselijke instelling, gebaseerd op een verkeerde uitleg van 1 Korinthiërs 7:7. 
Het huwelijk is de allermooiste aardse instelling die God gegeven heeft en dat in deze tijd het diepe beeld van de relatie tussen Christus en Zijn Lichaam, de Gemeente wil tonen. Wie getrouwd is en een gelukkig huwelijk heeft, mag dit als een zegen van God beschouwen en mag hier ook van genieten. Hoe prettig is het niet als je een dag gewerkt hebt en je keert naar huis en daar wacht dan een lieve man of vrouw op je en wellicht ook een stel kinderen? Dat maakt ons leven met zijn arbeid en andere beslommeringen een stuk meer de moeite waard om te leven! 

De laatste tekst die in dit artikel de revue passeert, is vers 10: "Alles wat uw hand vindt om te doen, doe dat naar uw vermogen, want er is geen werk, geen overleg, geen kennis of wijsheid in het graf, waar u naar toe gaat”. Deze tekst heeft verwantschap met wat in Prediker 12:1 staat: "Denk aan uw Schepper in de dagen van uw jeugd, voordat de kwade dagen komen en de jaren naderen waarvan u zeggen zult: Ik vind er geen vreugde in …". 
Prediker schrijft deze woorden vanuit het perspectief dat de mens na zijn leven bij de opstanding rekenschap van zijn daden moet afleggen tegenover God. Daarom is het belangrijk dat hij zijn werk naar eer en geweten doet. 

Ondanks dat wij niet geoordeeld worden naar onze werken, is het vanuit de genade die wij in Christus hebben ontvangen niet meer dan logisch dat ook wij ons werk naar eer en geweten doen. Paulus roept ons hiertoe ook op in de verschillende brieven die hij heeft geschreven. Zo zegt Paulus in Kolossenzen 3:22-23 iets, wat wij ook op onszelf in ons werk zouden kunnen toepassen: "Slaven, wees in alles uw aardse heren gehoorzaam, niet met ogendienst als om mensen te behagen, maar oprecht van hart, in het vrezen van God. En alles wat u doet, doe dat van harte, als voor de Heere en niet voor mensen”. Ondanks de hemelse roeping die wij hebben, wordt ook onze aardse wandel en werk door de Heere gezien.

Tot slot …

We maken de balans op. Wij hebben gezien dat het leven, op zich genomen, een trieste aangelegenheid is, waarin wij de toekomst niet kennen en we op ieder willekeurig moment getroffen kunnen worden door onheil. Daarbij is er ook nog eens veel (onbestraft) onrecht in de wereld. Het besluit van dit alles is dat ieder mens, rechtvaardig of goddeloos, komt te sterven. Toch schijnt onder de oppervlakte van deze ellende de zekerheid en de heerlijkheid van de opstanding door. Vanuit de wetenschap dat God de gelovigen ziet, een plan met hen heeft en hen ook in dit leven zegeningen geeft, mogen wij toch ook genieten van het leven. Wie op God vertrouwt, mag genieten van brood en wijn, mag goed zorgen voor zichzelf en zijn gezin en mag ook weten dat zijn aardse arbeid gezien wordt door de Heere. Dit alles mag gebeuren vanuit het perspectief dat de blijdschap die wij nu in de Heere mogen hebben, slechts een zwak afschijnsel is van de heerlijkheid die komen gaat in de hemel. Van daaruit mogen wij op dezelfde wijze in het leven staan als Paulus: 

"…want ik heb geleerd tevreden te zijn in de omstandigheden waarin ik verkeer…" (Filipp. 4:11) 

Of, zoals één van de mijnwerkers uit de serie 'Coal' zei: "Ik kan niets anders dan kolen scheppen, dus maak ik er maar het beste van”.

Deel deze pagina via

Darwin

Darwin: een aanhanger van Johannes van Helmond?Johannes van Helmond leefde rond begin 1600 en schreef een recept voor het maken van muizen: als je oude lappen en graan in een vat stopt en wegzet op een zolder of in een schuur, dan zullen na verloop van tijd vanzelf muizen ontstaan. Het was een wetenschappelijk experiment en herhaalbaar met telkens hetzelfde resultaat. Ook vandaag de dag kan je hetzelfde experiment herhalen met nog steeds dezelfde resultaten.  Het was Louis Pasteur die drie eeuwen later, aan het einde van de 19e eeuw, aantoonde dat het spontaan ontstaan van muizen (en leven), onzin was... totdat de evolutietheorie de kop op stak, met haar bewering dat in een ver verleden spontaan leven ontstaan is uit een levensloze massa... Ik denk dat Darwin een aanhanger was van Johannes van Helmond ... ;) (overgenomen uit Bijbelvast onderwijs)                       

Even een vraag

De genderhype:

Volg ons via twitter @egkaleo

Amen

Veel bijbelstudies op onze site
komen van bijbelmagazine Amen.
Meer weten over dit unieke blad
kijk dan snel op amen.nl

Abonneer je op Amen

Agenda

  • 01 10 2017
    samenkomst met Oby Vossema 10:00 tot 11:30

Recente preken

Loading Player...

Vers van de dag

Psalmen 90:12-12
Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen.