De wet gaat over wat wij voor God moeten doen, het evangelie gaat over wat God doet voor ons in genade.
Maarten Luther

Gebruikerswaardering: 5 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter actiefSter actief
 
Alles is ijdelheid! uit: AMEN 88, pagina 26 Sebastiaan de Graaf
Het boek Prediker staat niet op zichzelf, maar is onderdeel van de Bijbel. Dit boek leert ons dat de mens slechts tot zijn doel kan komen in afhankelijkheid van God.

Inleiding
Op het moment dat ik dit artikel schrijf, is het de tijd tussen kerst en oud en nieuw. Een periode waarin veel mensen de balans opmaken van het afgelopen jaar en voornemens maken voor het komende. Wat bracht dit jaar, en wat niet? Wat brengt het volgend jaar en wat kun je hier zelf aan doen? Wellicht zijn er ook bij die zich afvragen wat voor zin alles heeft en waarvoor je nu eigenlijk alles doet. Brengt niet ieder jaar uiteindelijk hetzelfde? Een hoop goed voornemens waar uiteindelijk niets van komt? Een hoop verwachtingen die in desillusies eindigen?

Het zijn precies deze zaken die in het boek Prediker aan de orde komen. Salomo, schrijver van dit Bijbelboek, vraagt zich af waarom hij alles gedaan heeft en waar het toe heeft geleid. Ook kijkt hij naar de toekomst: hoe loopt het uiteindelijk met de mens af en waar eindigt hij? Dit alles gebeurt in een trant die ons als mensen nogal rauw op het dak kan vallen. Salomo is namelijk niet al te positief gestemd over de wereld en de mensheid en laat dit onomwonden blijken. Zo stelt hij al gelijk in het tweede vers van het Bijbelboek dat alles volstrekt zinloos is. Later doet hij hier nog een schepje bovenop met uitspraken als: "Daarom prees ik de doden die reeds lang gestorven zijn, gelukkig boven de levenden die nog in leven zijn, en gelukkiger dan die allen prees ik degene, die er nog niet geweest is, die nog niet heeft aanschouwd het boze werk dat onder de zon geschiedt." (Prediker 4:2-3), "de dag des doods is beter dan de dag van iemands geboorte." (Prediker 7:1) en "Het is beter te gaan naar een huis van rouw dan te gaan naar een huis van feestgelag" (Prediker 7:2).

Toch is het de moeite waard om Prediker te bestuderen. Juist omdat dit boek ons laat zien dat de mens en de wereld waarin hij leeft op zich genomen niets voorstellen en nergens op uitkomen. Natuurlijk is dit geen plezierige boodschap om te horen. Maar laten wij eerlijk zijn, als wij de boodschap niet zouden horen, dan zou deze er nog wel steeds zijn. Waarom dan niet de boodschap horen en tegelijkertijd erbij bepaald worden dat er een uitweg uit de zinloosheid is? Het boek Prediker staat namelijk niet op zichzelf, maar is onderdeel van de Bijbel. Dit boek leert ons dat de mens slechts tot zijn doel kan komen in afhankelijkheid van God.

Het doel van het boek Prediker in de Bijbel is het verrichten van voorwerk. Prediker sloopt alle menselijke autonomie en grootheidswaanzin. Hij degradeert de mens tot helemaal, maar dan ook helemaal niets. De uiteindelijke bedoeling daarvan is dat de mens niet meer in zichzelf en zijn eigen werk en wijsheid roemt, maar dat hij vertrouwt op God en Hem dient. In dit opzicht zou één van de eerste Bijbelboeken die iedere beginnende gelovige leest, dit Bijbelboek dienen te zijn. Het is ook in onze tijd nog de sloophamer voor wat Paulus in Kolossenzen 2 omschrijft als de wereldgeesten, voorschriften en leringen van mensen en eigendunkelijke godsdienst. Het bestuderen en aanvaarden van de boodschap van Prediker, helpt ons bij het kwijtraken van een heleboel overbodige ballast aan wereldse wijsheid. Daarbij geeft het ons een relativerende kijk op het menselijke bestaan. Maar bovendien leert het ons temeer op wie wij onze hoop en vertrouwen dienen te vestigen, namelijk onze hemelse Vader door Jezus Christus.

Het boek, de schrijver en zijn achtergrond
Opvallend aan het boek Prediker is, dat het geschreven is door iemand die zeer succesvol in het leven was. Het is namelijk juist roem en rijkdom die mensen het zicht op de betrekkelijkheid van het leven ontneemt. Toch was Salomo niet in de eerste plaats zeer rijk, maar vooral zeer wijs. Toen God hem aan het begin van zijn koningschap vroeg wat hij wenste te ontvangen van God, was dit geen roem en rijkdom, maar "een opmerkzaam hart, opdat hij uw volk richte, door te onderscheiden tussen goed en kwaad" (1 Koningen 3:9). God geeft hem dit ook: "En God gaf Salomo wijsheid en zeer veel verstand en een begrip, zo wijd als het zand aan de oever der zee" (1 Koningen 4:29). Vervolgens geeft God Salomo ook nog datgene waar hij niet om gevraagd heeft, namelijk rijkdom en eer. Rijkdom hoeft geen probleem te zijn, als de wijsheid er maar aan vooraf gaat. Of zoals Salomo het zelf beschrijft in Prediker: "Zo werd ik groter en rijker dan allen die voor mij te Jeruzalem geweest waren; ondertussen bleef mijn wijsheid mij bij." (Prediker 2:9).

Hoe kwam Salomo er dan toe het boek Prediker te schrijven? Eigenlijk is het boek Prediker niets anders dan een evaluatie van zijn leven en het menselijk bestaan. Of zoals hij het zelf omschrijft: "ik zette mijn hart erop om na te vorsen en onderzoek te doen naar de wijsheid in alles, wat onder de hemel geschiedt" (Prediker 1:13) en "wat de mensenkinderen het beste kunnen doen onder de hemel gedurende de weinige dagen van hun leven" (Prediker 2:3). De feitelijke vraag van Salomo is: Wat doe ik hier? Daarbij grijpt hij niet gelijk terug op zijn relatie met God als JHWH; de God van nabij. Nee, Salomo houdt God op afstand in zijn boek, juist om aan te tonen dat de mens niet zonder God kan. Hij beziet alle dingen vooral vanuit menselijk oogpunt. In Prediker wordt dan ook voor de benaming van God geen enkele keer de naam JHWH gebruikt, zoals Salomo wel in Spreuken en Psalm 127 doet. Het is enkel de meer afstandelijk naam Elohim die gebruikt wordt.

Naast dat Salomo het leven vanuit menselijk oogpunt bekijkt, beziet hij het ook geheel werelds- en tijdsomspannend. Prediker is geen boek dat zich slechts uitstrekt over het leven van Salomo, of over de bedeling van de wet. Het beschrijft de dingen zoals ze in deze eeuw (olam) plaats vinden. Bij deze eeuw moeten wij denken aan de periode tussen de zondvloed en de wederkomst van Christus. Dat is dus ook de tijd waarin wij nu leven. Wij zien dit gegeven in de volgende verzen terug: "Het ene geslacht gaat en het andere geslacht komt, maar de aarde blijft altoos staan." (Prediker 1:4)
"Is er iets, waarvan men zegt: Ziehier, dat is nieuw. Het was er al in verre tijden , die voor ons waren." (Prediker 1:10)
"Ik heb ingezien, dat al wat God doet, voor eeuwig is; daaraan kan men niet toedoen en daarvan kan men niet afdoen; en God doet het, opdat men voor zijn aangezicht vreze. Wat is, was er reeds lang, en wat zijn zal, is reeds lang geweest; en God zoekt weer op, wat voorbijgegaan is." (Prediker 3:14-15)
Andere verzen uit Prediker waar het begrip 'olam' in voorkomt zijn: Prediker 2:16 (vertaald met 'nimmer'), Prediker 3:11 (vertaald met 'eeuw'), Prediker 9:6 SV (vertaald met 'eeuw'), Prediker 12:5 (vertaald met 'eeuwig').

Toch geeft het feit dat het boek Prediker over deze huidige 'olam' handelt, ons niet de vrijheid om alles uit het boek Prediker klakkeloos op ons zelf toe te passen. Zo zijn er gedeelten waarin Salomo het heeft over de mens die buiten God leeft. Voor die mens is het leven zinloos en eindigt het in niets. Wij leven als gelovigen echter door Jezus Christus in relatie met God, waardoor ons bestaan allerminst zinloos is. Daarnaast leefde Salomo als Israëliet onder de wet en verwachtte hij het komend oordeel van God. Aan het einde van het Bijbelboek refereert hij heel duidelijk aan dit gegeven: "Van al het gehoorde is het slotwoord: Vrees God en onderhoud zijn geboden, want dit geldt voor alle mensen. Want God zal elke daad doen komen in het gericht over al het verborgene, hetzij goed, hetzij kwaad." (Prediker 12:13-14). Wij leven niet onder de wet en verwachten ook geen komend oordeel. Wij hebben de verlossing in Jezus Christus en verwachten, levend uit genade, in heerlijkheid met Christus te verschijnen (Kol. 3:4).

Ondanks dat wij niet alles uit Prediker op onszelf kunnen toepassen, blijft er, onderscheidend lezend, toch nog genoeg van het boek voor ons over om van te leren.

De drie kernwoorden uit Prediker
In Prediker zien wij drie begrippen terug komen die een belangrijke plaats innemen en die al aan het begin van het Bijbelboek genoemd worden. Deze drie kernwoorden zijn: 'ijdelheid', 'zwoegen'/'aftobben' en 'onder de zon': "IJdelheid der ijdelheden, zegt Prediker, ijdelheid der ijdelheden! Alles is ijdelheid! Welk voordeel heeft de mens van al zijn zwoegen, waarmee hij zich aftobt onder de zon?" (Prediker 1:2-3)

IJdelheid
Het eerste kernwoord is ijdelheid. Dit woord betekent zoveel als 'niets'. Prediker stelt dus gelijk al aan het begin van het Bijbelboek dat alles 'niets' is. Het menselijk leven, het wereldgebeuren gaat op zich genomen helemaal nergens over. Het eindigt in niets. Waar Prediker het boek begint met ijdelheid, daar eindigt hij er ook mee. Wanneer wij tenminste Prediker 1:1 en Prediker 12:9-12 beschouwen als voorwoord en nawoord. In Prediker 12:8 besluit Salomo immers zijn betoog met: "IJdelheid der ijdelheden, zegt de Prediker, alles is ijdelheid!". Let hier overigens op de voorafgaande verzen over het einde van de mens. Deze zijn veelzeggend: "en het stof wederkeert tot de aarde, zoals het geweest is, en de geest wederkeert tot God, die hem geschonken heeft." (Prediker 12:7).

De combinatie van ijdelheid en de sterfelijkheid van de mens vinden wij trouwens ook duidelijk terug in een heel ander Bijbelgedeelte, namelijk Psalm 144:4: "De mens is gelijk aan een ademtocht, zijn dagen zijn als een voorbijglijdende schaduw." Het woord 'ademtocht' is hier een vertaling van hetzelfde woord dat in Prediker met ijdelheid vertaald wordt. Feitelijk staat hier dus dat de mens niets is. Zijn leven is als een schaduw die voorbij glijdt. Voor zijn bestaan was hij niets en na zijn bestaan blijft er niets dat aan hem herinnert.

Naast in de eerste en laatste verzen van Prediker, komt het begrip ijdelheid in nog 24 verzen van Prediker voor. Daarbij worden zevenmaal de woorden 'najagen van wind' toegevoegd, wat met name betrekking heeft op het (moeten) verrichten van arbeid. Waarmee wij gelijk aanbeland zijn bij het tweede kernwoord.

Zwoegen/aftobben
In Prediker 1:3 komen de begrippen 'zwoegen' en 'aftobben' beiden voor. Daarbij is 'zwoegen' het zelfstandige naamwoord van 'aftobben' in het Hebreeuws. Beide begrippen komen in Prediker gezamenlijk zo'n twintig keer voor. De laatste maal dat het begrip voorkomt in Prediker, is in hoofdstuk 10:15, waar staat: "Het zwoegen van de dwaas mat hem af, omdat hij de weg naar de stad niet weet." De betekenis van dit vers is dat de dwaas voor niets (op het land) werkt, omdat hij niet weet hoe hij in de stad moet komen waar hij zijn goed kan verhandelen en gebruiken. Wanneer wij de betekenis van dit vers toepassen op de gelovige in het algemeen, dan zouden wij kunnen zeggen dat zijn werk slechts dan zin heeft als het bij God gebracht wordt. Oftewel, slechts wat in afhankelijkheid van God aan werk en arbeid verricht wordt, zal uiteindelijk (door de dood heen) stand houden.

Natuurlijk denken wij bij de begrippen 'zwoegen' en 'aftobben' ook aan de eerste zwarte bladzijde van de menselijke geschiedenis, namelijk de zondeval. Nadat de vrouw en haar man gezondigd hebben, spreekt de HERE God hen toe. Tegen de man zegt hij dan de volgende veelzeggende woorden: "…in het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aardbodem wederkeert, omdat gij daaruit genomen zijt; want stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren." (Genesis 3:19). Dit is precies de realiteit die Prediker ook beschrijft in zijn boek. De mens werkt tot hij sterft en hijzelf en zijn arbeid leiden uiteindelijk tot niets. Of zoals het beschreven wordt in Prediker 2:18-19: "Ja, ik kreeg een afkeer van al mijn zwoegen, waarmee ik mij had afgetobd onder de zon, daar ik het moet achterlaten voor de mens die na mij zijn zal en wie weet, of hij wijs zal zijn of dwaas, en toch zal hij macht hebben over alles waarvoor ik gezwoegd heb en waarin ik wijs geweest ben onder de zon. Ook dit is ijdelheid."

Onder de zon
Het laatste begrip dat wij bespreken is 'onder de zon'. Dit komt alleen in Prediker voor en wel in meer dan 25 verzen. Het gebruik van dit begrip heeft alles te maken met het perspectief van waaruit Prediker de dingen beschouwd. Prediker beziet de wereld voornamelijk zonder verbintenis met de hemel. Dit zelfde punt zien wij trouwens ook terug in de aanspreektitel van God. Deze is, zoals wij reeds opmerkten, enkel Elohim en niet eenmaal JHWH in het Bijbelboek. Een veelzeggende passage waar 'onder de zon' gebruikt wordt, is Prediker 6:12. Dit vers toont ook grote overeenkomst met wat wij in het eerder aangehaalde Psalm 144 lazen (overigens geen psalm van Salomo, maar van zijn vader David): "Want wie weet, wat goed voor de mens is in het leven gedurende de weinige dagen van zijn ijdel leven, die hij als een schaduw doorbrengt? Wie toch zal de mens te kennen geven wat er na hem onder de zon geschieden zal?"
In dit vers zien wij duidelijk het perspectief van Prediker terug. Het voortbestaan na de dood in de komende eeuw (olam) of in heerlijkheid (zoals wij die verwachten), komt niet aan de orde. De hoop van de mens strekt zich niet verder uit dan wat er na zijn dood op aarde zal gebeuren. Dit is een hoop waar je niet bewust deel aan zal hebben en waar je dus niets aan hebt. Toch is dit de hoop waar veel mensen door de eeuwen heen uit leefden en die zeker in deze tijd van secularisatie gemeengoed geworden is. Hoe leeft je naam voort? Wat gebeurt er met je bezittingen? Wat laat jij je kinderen na? Wat laat jij de maatschappij blijvend na? Deze vragen mogen misschien heel legitiem zijn, maar aan de antwoorden heb je zelf uiteindelijk niets. Want als de antwoorden gegeven worden, ben je dood en hoor, zie en merk je niets meer. Bovendien laat Prediker ons in zijn boek verschillende malen zien dat je het zelf in je leven nog zo mooi voor elkaar kunt hebben gekregen, maar dat dit geen enkele garantie biedt. Al eerder zagen wij daar in Prediker 2:18-19 een voorbeeld van. Maar ook in Prediker 6:3 is een voorbeeld terug te zien: "Indien iemand honderd kinderen verwekte en vele jaren leefde en even aanzienlijk was als hoogbejaard, maar hij niet verzadigd werd van het goede en ook geen begrafenis had, ik zeg: een misgeboorte is er beter aan toe dan hij"

Gelukkig blijft onze hoop niet beperkt tot ijdel zwoegen onder de zon, maar strekt deze zich er ver boven uit doordat wij opstandingsleven hebben in Christus Jezus. Daardoor eindigt ons leven uiteindelijk niet in niets, maar in het alles van de volheid van Christus. Vanuit dit perspectief mogen wij ons aardse bestaan volbrengen vanuit de wetenschap zoals die door Paulus in 1 Korinthe 15:58 verwoord wordt:

"weest standvastig, onwankelbaar, te allen tijde overvloedig in het werk des Heren, wetende, dat uw arbeid niet vergeefs is in de Here."

Deel deze pagina via

Darwin

Darwin: een aanhanger van Johannes van Helmond?Johannes van Helmond leefde rond begin 1600 en schreef een recept voor het maken van muizen: als je oude lappen en graan in een vat stopt en wegzet op een zolder of in een schuur, dan zullen na verloop van tijd vanzelf muizen ontstaan. Het was een wetenschappelijk experiment en herhaalbaar met telkens hetzelfde resultaat. Ook vandaag de dag kan je hetzelfde experiment herhalen met nog steeds dezelfde resultaten.  Het was Louis Pasteur die drie eeuwen later, aan het einde van de 19e eeuw, aantoonde dat het spontaan ontstaan van muizen (en leven), onzin was... totdat de evolutietheorie de kop op stak, met haar bewering dat in een ver verleden spontaan leven ontstaan is uit een levensloze massa... Ik denk dat Darwin een aanhanger was van Johannes van Helmond ... ;) (overgenomen uit Bijbelvast onderwijs)                       

Even een vraag

De genderhype:

Volg ons via twitter @egkaleo

Amen

Veel bijbelstudies op onze site
komen van bijbelmagazine Amen.
Meer weten over dit unieke blad
kijk dan snel op amen.nl

Abonneer je op Amen

Agenda

  • 01 10 2017
    samenkomst met Oby Vossema 10:00 tot 11:30

Recente preken

Loading Player...

Vers van de dag

Filippenzen 2:3-4
Doet geen ding door twisting of ijdele eer, maar door ootmoedigheid achte de een den ander uitnemender dan zichzelven. Een iegelijk zie niet op het zijne, maar een iegelijk zie ook op hetgeen der anderen is.