Omdat ik weet dat ik niet mijn eigen heer ben, breng ik mijn hart als een offer aan de Here
Calvijn

Gebruikerswaardering: 0 / 5

Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 
Als men de teksten nagaat, waar het woord "lichaam" gebruikt is, blijkt dat de algemene betekenis is: een organisme dat uit leden bestaat en een eenheid vormt. In normale toestand staat het in betrekking met zijn omgeving en leeft door de inwerking van een kracht, het heeft wasdom. Zo lezen we van het menselijk lichaam:

  • Romeinen 12:4 "Want gelijk wij in één lichaam vele leden hebben en de leden allen niet dezelfde werking hebben ...".

Ook een groep gelovigen wordt met het woord lichaam aangeduid:

  • Romeinen 12:5 "Alzo zijn wij velen één lichaam in Christus, maar elkeen zijn wij elkanders leden"

Ook de groep, die tot de volmaaktheid gekomen is, wordt zo genoemd.

  • Efeze 4:16 "Uit welken (Christus) het gehele lichaam bekwamelijk samengevoegd en samen vastgemaakt zijnde, door alle voegselen der toebrenging, naar de werking van een iegelijk deel in zijn maat, den wasdom des lichaams bekomt, tot zijns zelfs opbouwing in de liefde"
  • Kolossenzen 2:19 "En het Hoofd niet behoudende uit hetwelk het gehele lichaam, door de samenvoegselen en samenbindingen voorzien en samengevoegd zijnde, opwast met Goddelijken wasdom".

We willen in het verdere dezer studie meer in het bijzonder het menselijk lichaam nagaan. In de gewone betekenis betreft het het stoffelijke en we vinden hiervoor uitdrukkingen als:

  • "Vlees", 1 Korinthe 6:16
  • "Vlees en bloed", 1 Korinthe 15:50
  • "Het lichaam Zijns vleses", Kolossenzen 1:22
  • "Vernederd lichaam", Filippenzen 3:21
  • "Sterfelijk lichaam", Romeinen 6:12; 8:11
  • "Verderfelijkheid", 1 Korinthe 15:50
  • het is "dienstbaar" (in slavernij) der zonde, Romeinen 6:19, 20
  • het moet verlost worden, Romeinen 8:23
  • het wordt levendgemaakt, Romeinen 8:11

Evenals "vlees" ook wel gebruikt wordt voor de gehele mens zoals hij van Adam afstamt (Romeinen 8:3-13 en zie "De Weg der Behoudenis"), de "oude mens" (Romeinen 6:6), zo wordt ook het woord lichaam in die zin gebruikt:

  • "Lichaam der zonde", Romeinen 6:6
  • "Lichaam dezes doods", Romeinen 7:24
  • "Werkingen des lichaams", Romeinen 8:13

Het lichaam, in die zin genomen moet:

  • Te niet gedaan worden, Romeinen 6:6
  • Dood zijn, Romeinen 8:10
  • Het "lichaam des vleses" (niet der zonden des vleses, zoals de St. V. heeft) moet "uitgetrokken" worden, Kolossenzen 2:11

Men ziet, dat "lichaam" een ruime betekenis kan hebben. Zelfs als het over het eigenlijke lichaam van de mens gaat, moeten we nog niet alleen denken aan het stoffelijke organisme. De reeds vermelde teksten, waar gesproken wordt van de verlossing, verandering en levendmaking des lichaams, wijzen erop, dat het lichaam ook na het sterven en de ontbinding van het vlees blijft bestaan. Het lichaam verdwijnt dan niet, maar is "dood" omdat er geen kracht (geest) meer in werkt, Jakobus 2:26. Het heeft een andere bestaanswijze.

Bij de opstanding gaat het lichaam over van de doodstoestand tot een van heerlijkheid. 1 Korinthe 15:35 stelt dan ook de vraag: "hoedanig" lichaam? En vers 40 spreekt van verschillende soorten lichamen (zie "Ander - anderssoortig" voor het gebruik van "heteros"). Er zijn volgens de Griekse tekst opaardse en ophemelse lichamen, die beide heerlijkheid hebben, doch van een andere soort. Ook Filippenzen 3:21 maakt een contrast tussen het lichaam in zijn staat van vernedering en heerlijkheid. 1 Korinthe 15:44 spreekt van natuurlijke (ziellijke) en geestelijke lichamen. Degene die deel hebben aan de opstanding van 1 Korinthe 15:52 worden veranderd, het verderfelijke doet onverderfelijkheid aan, het sterfelijke onsterfelijkheid. Het lichaam blijft dus in wezen, doch kan volgens de sfeer waartoe het behoort veranderd worden, in andere bestaanswijzen overgaan.
In de gewone spreektaal duidt het woord lichaam, de bestaanswijze aan waaraan we gewend zijn en die dus niet nader behoeft bepaald te worden: het is het vleselijke, stoffelijke lichaam. Men denke hieraan bij het lezen van teksten zoals:

  • 2 Korinthe 5:6 "Inwonende in het lichaam"
  • 2 Korinthe 5:8 "Uit het lichaam uit te wonen"
  • 2 Korinthe 12:2, 3 "In het lichaam, buiten het lichaam"
  • Hebreeen 13:3 "In het lichaam".

In en uit het lichaam wil dan niet zeggen dat de eigenlijke mens in een soort omhulsel woont of dat kan verlaten, maar eenvoudig, dat iets gebeurt met of zonder tussenkomst van het lichaam naar zijn vleselijke bestaanswijze beschouwd. De mens behoudt steeds zijn lichaam. Het gebruik van "buiten het lichaam" in 1 Korinthe 6:18 maakt dit ook duidelijk.
1 Korinthe 15 en andere teksten leren ons, menen we, dat alle schepselen een lichaam hebben. Dat lichaam kan dood, vleselijk of verheerlijkt zijn. Dit wordt ook bevestigd in het geval van de Heere Jezus Christus. Uit Kolossenzen 2:9 weten we dat "al de volheid der Godheid lichamelijk" in Hem woont. Noch de Vader, noch de Heilige Geest hebben een lichaam (1). De Zoon kreeg een scheppingslichaam, toen Hij schepsel werd. Dat lichaam was aangepast aan de sfeer waartoe Hij behoorde. Zo lezen we in Filippenzen 2:6 van een "gestaltenis" Gods (Grieks morphè, zie "Gedaante en Vorm"). Later nam Hij de "gestaltenis" eens dienstknechts aan, Filippenzen 2:7. Daarna kwam hij tot de dood des kruises en de Hades-toestand. Zoals bij de overgang van een aioon in de volgende van een "opnieuw toebereiden" gesproken wordt (Hebreeen 11:3 Staten Vertaling: "dat de wereld door het woord Gods is toebereid"), is dat ook het geval bij de overgang van de bestaanswijzen van Christus:

  • Hebreeen 10:5 "Daarna, komende in de wereld, zegt Hij ... Gij hebt Mij het lichaam (opnieuw) toebereid".

Het Griekse woord voor toebereid is hetzelfde als b.v. in Mattheus 4:21 door "vermakende" vertaald. De netten werden opnieuw toebereid, herordend.
We herhalen nogmaals in het kort, hoe we de schriftuurlijke betekenis van het woord "lichaam" menen te moeten opvatten als het over de mens gaat. We worden geboren met een vleselijk lichaam. Als we sterven, gaan we met ons lichaam naar de Hades, het onzichtbare. Het vlees kan dan wel in het graf liggen en daar vergaan, het accidentele kan daar verdwijnen en de stoffelijke deeltjes kunnen tot het opbouwen van andere stoffelijke lichamen gebruikt worden, maar het eigenlijke lichaam blijft bestaan. Alleen is het dan dood, d.i. er werkt geen levenskracht meer in en het is van de wereld afgescheiden. Bij de opstanding komt er weer leven in dat lichaam en het kan tot een hogere bestaanswijze overgaan. Van "ziellijk" lichaam, bij de geboorte, wordt het nu "geestelijk" lichaam. In deze "vorm" ontsnapt het aan de "natuurwetten", die alleen toepasselijk zijn op de stoffelijke bestaanswijze. In die toestand wordt het lichaam, niet tegengehouden door stoffelijke hindernissen (Johannes 20:26), wordt niet beïnvloed door vuur (Daniel 3), is niet onderworpen aan de zwaartekracht (Handelingen 1:9; 1 Thessalonicenzen 4:17), kan zich in een oogwenk op grote afstanden verplaatsen en een blik werpen op wat in andere tijden geschiedt. Teksten zoals Daniel 10:6; Openbaring 1:14, 15 trachten ons een gedachte te geven hoe zo'n lichaam er uit kan zien. Door de geest overwinnen we nu reeds tijd en ruimte, want we verplaatsen ons in andere tijden en plaatsen. In hogere bestaanswijzen is dit ook lichamelijk mogelijk, daar het lichaam dan "verlost" is.
Deze gedachten leveren natuurlijk enige moeilijkheid op, omdat we er zo weinig aan gewend zijn. Als we echter wat meer schriftuurlijk gaan denken en geestelijk verstand en kennis krijgen, gaat het gemakkelijker.
Een vergelijking, hoe gebrekkig dan ook, kan ook hier hulp geven. We weten dat ijs gekristaliseerd water is. Waar blijft de vorm als het ijskristal smelt? Al ziet men hem niet meer, toch is die vorm als het ware nog in de vloeistof behouden, want als dit laatste bevriest, komt de vorm weer te voorschijn. Of het "water" nu ook de bestaanswijze heeft van stoom, vloeibaar water of ijs, steeds blijft er iets bestaan dat het water kenmerkt. Het "lichaam" van het water blijft, doch het neemt de vorm aan die aan de bestaanswijze aangepast is.
Onder de benaming "lichamelijk" versta men dus niet noodzakelijk iets dat in stoffelijke zin een begrensde "vorm" heeft, maar wel iets dat, als het in de stoffelijke sfeer geplaatst wordt, een stoffelijke vorm, aanneemt. Als het zich in een andere bestaanswijze bevindt, zijn onze stoffelijke begrippen er niet meer toepasselijk op.
In het verleden hadden de meest vooraanstaande biologen een zeer materialistische opvatting van het lichaam. Het was slechts stof waarop natuurkundige krachten inwerkten. Wie van een bijzondere levenskracht (vitaliteit) sprak, werd aangezien als "obscurantist". Er is echter een sterke neiging om, terug te gaan tot dit versmade "vitalisme", dat nu voor meerdere grote geleerden een zaak van gezond verstand is geworden, nadat ze erkend hebben, dat de zuivere mechanische beschouwing geen oplossing geeft.
Het is echter nog merkwaardiger na te gaan hoe Prof. Dr. R. Woltereck zich voorstelt hoe eenvoudige organismen, zoals de radiolariën, hun vorm krijgen. In het begin heeft men slechts een massa helder protoplasma waarin zich een kern bevindt. Later vormen zich dunne naaldjes en een reeks concentrische omhulsels. De vorm en schikking is geheel bepaald en een specifiek karakter van deze wezentjes. Hoe komt deze tot stand? Zeker niet door de schikking der moleculen in het protoplasma, want deze rollen voortdurend over elkaar heen zoals de moleculen van gelijk welke vloeistof. Hij besluit tot het bestaan van een biologisch veld, dat de stofdeeltjes dwingt zich op een zekere wijze te schikken. Dit veld zou veroorzaakt worden door een invloed, die van de kern uitgaat en die niet op mechanische, materialistische wijze kan uitgelegd worden.
Het schijnt ons toe, dat de wetenschap hier de goede richting uitgaat. Voor ons gaat de levenskracht uit van het eigenlijke lichaam, dat zich in de stoffelijke wereld met moleculen bekleedt en dan een bepaalde, tastbare vorm krijgt. Door een bijzondere inwerking van de Geest en het ontvangen van een bijzondere kracht kan het ook andere bestaanswijzen aannemen. In de Hades daarentegen, is er geen levenskracht en het lichaam, ja, de gehele mens, is dan waarlijk dood. Voetnoten:

(1) De Heilige Geest kon zich wel voordoen onder een lichamelijke gedaante, Lukas 3 :22.

Deel deze pagina via

Darwin

Darwin: een aanhanger van Johannes van Helmond?Johannes van Helmond leefde rond begin 1600 en schreef een recept voor het maken van muizen: als je oude lappen en graan in een vat stopt en wegzet op een zolder of in een schuur, dan zullen na verloop van tijd vanzelf muizen ontstaan. Het was een wetenschappelijk experiment en herhaalbaar met telkens hetzelfde resultaat. Ook vandaag de dag kan je hetzelfde experiment herhalen met nog steeds dezelfde resultaten.  Het was Louis Pasteur die drie eeuwen later, aan het einde van de 19e eeuw, aantoonde dat het spontaan ontstaan van muizen (en leven), onzin was... totdat de evolutietheorie de kop op stak, met haar bewering dat in een ver verleden spontaan leven ontstaan is uit een levensloze massa... Ik denk dat Darwin een aanhanger was van Johannes van Helmond ... ;) (overgenomen uit Bijbelvast onderwijs)                       

Even een vraag

Fake nieuws:

Volg ons via twitter @egkaleo

Agenda

  • 26 11 2017
    samenkomst met Hoite Slagter 10:00 tot 11:30

Recente preken

Loading Player...

Vers van de dag

Psalmen 145:3-3
Gimel. De HEERE is groot en zeer te prijzen, en Zijn grootheid is ondoorgrondelijk.